René Huigen

голландский

Waltraud Hüsmert

немецкий

Een huwelijk (1)

Eerwaarde, wat zijn acht stuivers om te biechten in vergelijk tot de prijs
die een boeteling voor zijn schanddaden betalen moet? Wangunstig
ben ik op hem met wie ik huwde en die tot gruwel des Heeren beelden
van ’s Werkmeesters handen smeedde. Ik vervloek zijn hoogmoed
en lijden, de minnaar van rust en schaduw, die ijdeltuit, van wie hij 
leerde een wereldburger te zijn en allen toe te behoren. Nemesis
tekende hij op een wolk van gematigdheid boven Chiusa, maar de wraak
was aan mij in Emmerik, waar ik, gekweld door noodweer, drie van zijn
portretten verscheurde. Jaloers ben ik op allen die hij vereeuwigde,
op de naamlozen evenzeer als op zijn vrienden. Zij behoren de intieme
wereld van zijn handen toe, waarvan de verhoudingen de muzikale
intervallen van de harmonie der sferen weerspiegelen. Zo meesterlijk
met fluwelen toets tot leven gebracht, omvatten ze bergen, dalen
en rivieren, alle kruiden, alle hout, alle kwarts- en kiezelstenen, en alles
wat lijnen, aders en rimpels heeft. Maar het zijn diezelfde bergen,
dalen en rivieren die ons nu scheiden. Sinds die keer dat hij mijn lieve
Agnes schetste en me later met grovere streken als een boerin had neergezet,
heeft hij me nooit meer aangeraakt. Een dodenakker ben ik voor hem.
Zelf portretteerde hij zich nogal fatterig en verwijfd in een laag met
gouden biezen afgezet hemd. In zijn vingers, als blijk van zijn macht
te beschimpen al wat hij liefheeft, even verheven als laag-bij-de-gronds,
een stekelige distel, met purperen kroon, ter kroning van de Zoon
die hij mij niet kon schenken, de Eryngium, genaamd mannentrouw. Amen

© René Huigen
Из: Levenskunst voor jonge mensen
Amsterdam: De Bezige Bij, 2011
Аудиопроизводство: Nederlands Letterenfonds, 2014

Eine Ehe

Hochwürden, was sind acht Stüber für die Beichte gegen den Preis,
den ein Büßer für seine Schandtaten zahlen muss? Scheelsüchtig
bin ich auf den, der mich freite und der zum Abscheu des Herrn Bildnisse
von des Großen Werkmeisters Händen schuf. Ich verfluche seinen Hochmut
und sein Leiden, den Liebhaber von Ruhe und Schatten, jenen Gecken,
       der ihn
lehrte, ein Weltbürger zu sein und allen zu gehören. Nemesis
zeichnete er auf einer Wolke von Mäßigung über Chiusa, doch die Rache
war mein in Emmerich, wo ich, vom Sturmwind gepeinigt, drei seiner
Porträts zerriss. Eifersüchtig bin ich auf alle, die er verewigte,
auf die Namenlosen gleichermaßen wie auf die Freunde. Sie gehören der
       vertrauten
Welt seiner Hände an, deren Proportionen die musikalischen
Intervalle der Harmonie der Sphären widerspiegeln. So meisterhaft
mit samtigem Pinselstrich zum Leben erweckt, umfassen sie Berge, Täler
und Flüsse, alle Kräuter, alles Holz, alle Quarz- und Kieselsteine, und alles,
was Linien, Adern und Runzeln hat. Doch es sind dieselben Berge,
Täler und Flüsse, die uns nun trennen. Seit jenem Male, als er meine liebe
Agnes skizzierte und mich später mit gröberem Strich als Bäuerin darstellte,
hat er mich nie mehr berührt. Ein Totenacker bin ich für ihn.
Sich selbst konterfeite er recht stutzerhaft und weibisch in einem tief mit
goldnen Paspeln abgesetzten Hemd. In seiner Hand, als Zeichen seiner
       Macht
zu verhöhnen all das, was er lieb hat, ebenso erhaben wie abgeschmackt,
eine stachlige Distel mit purpurner Krone, zur Krönung des Sohnes,
den er mir nicht schenken konnte, Eryngium, genannt Mannstreu. Amen

Übersetzt von Waltraud Hüsmert