Djûke Poppinga 
Translator

on Lyrikline: 9 poems translated

from: árabe to: holandês

Original

Translation

نحن - We

árabe | Ghayath Almadhoun

نحن المتناثرون شظايا، الممطرون لحماً، نتقدم بالاعتذار الشديد من هذا العالم المتحضر فرداً فرداً، رجالاً ونساءً وأطفالاً، لأننا وبدون قصد منا ظهرنا في منازلهم الآمنة بلا استئذان، نعتذر لانطباع أشلائنا في ذاكرتهم البيضاء كالثلج، ولأننا خدشنا صورة الإنسان الطبيعي الكامل في أعينهم، لأننا وبكل وقاحة، قفزنا فجأة على نشرات الأخبار وصفحات الانترنت والجرائد، عاريين إلا من دمائنا وبقايا أجسادنا المتفحمة، نعتذر من كل العيون التي لم تجرؤ أن تنظر في جراحنا مباشرةً لكي لا تصاب بالقشعريرة، ونعتذر من كل من لم يستطع إكمال وجبة العشاء بعد أن فاجأته صورنا طازجةً على التلفزيون، نعتذر عن الآلام التي سببناها لكل من رآنا هكذا بلا تجميل أو تقطيب أو إعادة جمع لبقايانا وقطعنا قبل أن نظهر في الشاشات، ونعتذر أيضاً من الجنود الإسرائيليين الذين تكلفوا عناء الضغط على الأزرار في طائراتهم ودباباتهم لتحويلنا إلى قطع، نعتذر منهم على الصور البشعة التي تحولنا إليها بعد أن صوبوا قنابلهم مباشرةً إلى رؤوسنا الطرية، وعلى الساعات التي سيقضونها الآن في عيادات الأطباء النفسيين ليعودوا بشراً كما كانوا قبل تحويلنا إلى أشلاء مقززة تلاحقهم كلما حاولوا النوم، نحن الأشياء التي رأيتموها على الشاشات والصحف، والتي إن اجتهدتم في جمع بقاياها كلعبة البزِّل، فإنكم ستفوزون بصورة واضحة لنا، واضحة لدرجة أنكم لن تستطيعوا أن تفعلوا شيئاً.

2008

© Ghayat Almadhoun
Audio production: Literaturwerkstatt Berlin 2011

Wij

holandês

Wij die zijn rondgestrooid als granaatscherven, van wie het vlees door de lucht vliegt als regendruppels, wij bieden onze oprechte verontschuldiging aan aan iedereen in deze beschaafde wereld, mannen, vrouwen en kinderen, omdat we onopzettelijk in hun veilige huizen zijn verschenen, zonder toestemming te vragen. We bieden onze excuses aan, omdat we onze afgerukte lichaamsdelen in hun sneeuwwitte geheugen hebben geprent, omdat we het beeld van de normale, complete mens in hun ogen hebben geschonden, omdat we zo schaamteloos waren om plotseling op te duiken in het journaal, op de internetpagina’s en in de kranten: naakt, met alleen ons bloed en onze verkoolde resten. We bieden onze excuses aan aan alle ogen die niet rechtsreeks naar onze wonden durven te kijken, uit angst dat ze kippenvel zullen krijgen. We zijn excuses verschuldigd aan iedereen die zijn avondmaal niet meer door zijn keel kon krijgen, nadat hij onverwacht was geconfronteerd met onze verse beelden op de televisie. We zijn excuses verschuldigd voor het leed dat we hebben toegebracht aan iedereen die ons in deze toestand heeft gezien: zonder opsmuk en zonder dat er een poging was gedaan om onze resten bijeen te vegen en weer aan elkaar te naaien voordat we op hun schermen verschenen. We zijn ook excuses verschuldigd aan de Israëlische soldaten die de moeite hebben genomen in hun vliegtuigen en tanks op knoppen te drukken, met de bedoeling ons op te blazen. We bieden onze excuses aan voor ons weerzinwekkende uiterlijk, sinds ze hun granaten rechtstreeks op onze kwetsbare hoofden hadden afgevuurd. En voor al die uren die ze nu in psychiatrische klinieken moeten doorbrengen, om weer mens te worden, zoals ze dat waren voor onze transformatie tot afstotelijke lichaamsdelen, die hen achtervolgen wanneer ze proberen te slapen.
Wij zijn de dingen die jullie op jullie schermen en in jullie kranten hebben gezien. Als jullie de moeite nemen om de stukjes bij elkaar te leggen, zoals bij een puzzel, dan zullen jullie een duidelijk beeld van ons krijgen. Zo duidelijk, dat je niet in staat zult zijn om nog iets te doen.

2008

Vertaling: Djûke Poppinga

نساء - Women

árabe | Ghayath Almadhoun

النساءُ اللواتي عصرنَ العنبَ بأقدامهنَّ منذ بدءِ التاريخ.

النساءُ اللواتي تمَّ قَفْلُهُنَّ بحزامِ العفَّةِ في أوروبا.

الساحراتُ اللواتي أُحرِقنَ في العصورِ الوسطى.

روائياتُ القرنِ التاسع عشر اللواتي كَتَبْنَ بأسماءَ ذكوريةٍ لكي يستطعنَ النَّشر.

حاصداتُ الشاي في سيلان.

نساءُ برلينَ اللواتي أَعَدْنَ إعمارَهَا بعد الحرب.

فلاحاتُ القطنِ في مصر.

الجزائرياتُ اللواتي يَضَعْنَ البرازَ على أجسادهنَ لكيلا يُغتصبنَ من قبلِ الجنودِ الفرنسيين.

عذراواتُ السيجار في كوبا.

عصابةُ الماساتِ السوداواتِ في ليبيريا.

راقصاتُ السامبا في البرازيل.

اللواتي فَقَدْنَ وجوهَهُنَّ بالأسيدِ في أفغانستان.

أُمي.

أنا آسف.

© Ghayat Almadhoun
Audio production: Ghayat Almadhoun, 2014

Vrouwen

holandês

De vrouwen die sinds het begin van de geschiedenis de druiven met hun voeten stampten.
De vrouwen in Europa die
met kuisheidsgordels werden vergrendeld.
De tovenaressen die in de Middeleeuwen werden verbrand.
De schrijfsters van de negentiende eeuw, die schreven
onder mannelijk pseudoniem, zodat ze konden publiceren.
De theepluksters in Ceylon.
De vrouwen van Berlijn, die na de oorlog hun stad weer hebben opgebouwd.
De katoenboerinnen in Egypte.
De Algerijnse vrouwen, die hun lichaam insmeerden met uitwerpselen, zodat de Franse soldaten
hen niet zouden verkrachten.
De sigarenmaagden in Cuba.
De bende van de zwarte diamanten in Liberia.
De sambadanseressen in Brazilië.
De vrouwen in Afghanistan die hun gezicht door zoutzuur hebben verloren.
Mijn moeder.
Het spijt me.

Uit het Arabisch vertaald door Djûke Poppinga

المجزرة - Massacre

árabe | Ghayath Almadhoun

المجزرة مجازٌ ميتٌ يأكل أصدقائي، يأكلهم بلا ملحٍ، كانوا شعراءَ، وأصبحوا مراسلين مع حدود، كانوا متعبين وأصبحوا متعبين جداً، "يعبرون الجسر في الصبح خفافاً "، ويموتون خارج التغطية، إنني أراهم بالمناظير الليلية، وأتتبعُ حرارة أجسادهم في الظلام، ها هم يهربون منها إليها، مستسلمين لهذا المساج الهائل، المجزرة أمهم الحقيقية، أما الإبادة الجماعية فهي مجردُ قصيدةٍ كلاسيكيةٍ يكتبها جنرالاتٌ مثقفون أحيلوا إلى التقاعد، الإبادة الجماعية لا تليق بأصدقائي، فهي عملٌ جماعي منظم، والأعمال الجماعية المنظمة تذكرهم باليسار الذي خذلهم.
 
المجزرةُ تصحو باكراً، تحمّمُ أصدقائي بالماء البارد والدم، تغسلُ ملابسهم الداخلية وتعدُ لهم الخبز والشاي، ثم تعلمهم قليلاً من الصيد، المجزرة أحنُّ على أصدقائي من الإعلان العالمي لحقوق الانسان، فتحتْ لهم الباب حين غُلِّقتْ الأبواب، ونادتهم بأسمائهم حين كانت نشراتُ الأخبار تبحث عن عدد الضحايا، المجزرة هي الوحيدةُ التي منحتهم اللجوء بغض النظر عن خلفياتهم، لم يهمها وضعهم الاقتصادي، لم يهمها إنْ كانوا مثقفين أو شعراء، إنها تنظر إلى الأشياء من زاوية محايدة، لها نفس ملامحهم الميتة، وأسماءُ زوجاتهم الأرامل، تمرُّ مثلهم على الأرياف والضواحي، وتظهرُ فجأة مثلهم في الأخبار العاجلة، المجزرة تشبه أصدقائي، لكنها دائماً تسبقهم إلى القرى النائية ومدارس الأطفال.
 
المجزرة مجازٌ ميتٌ يخرجُ من التلفزيون، ويأكل أصدقائي دون رشة ملح واحدة.

© Ghayath Almadhoun
Audio production: Literaturwerkstatt / Haus für Poesie, 2016

Bloedbad

holandês

Het bloedbad is een dode metafoor die mijn vrienden opeet. Hij eet ze zonder zout. Mijn vrienden waren dichters en werden correspondenten met grenzen. Ze waren moe en ze werden heel erg moe. ‘Ze steken ’s ochtends met lichte tred de brug over’ en sterven buiten de beschermde zone. Ik observeer ze met mijn nachtkijker en volg de warmte van hun lichamen in het donker. Kijk, ze vluchten van het bloedbad en weer terug, en geven zich over aan die enorme massage. Het bloedbad is hun natuurlijke moeder, maar de massaslachting is niet meer dan een klassiek gedicht, geschreven door intellectuele generaals met pensioen. Massaslachtingen passen niet bij mijn vrienden, want dat zijn georganiseerde, collectieve acties en collectieve acties herinneren hen aan de linkse beweging die hen in de steek heeft gelaten.

Het bloedbad wordt vroeg wakker, baadt mijn vrienden in koud water en bloed, wast hun ondergoed en maakt brood en thee voor ze klaar. Dan leert het hun iets over de jacht. Het bloedbad is aardiger voor mijn vrienden dan de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens. Het heeft een deur voor hen geopend, toen alle deuren gesloten waren, en hen bij hun naam genoemd, toen de nieuwsuitzendingen zochten naar het aantal slachtoffers. Het bloedbad is het enige dat hun asiel heeft verleend, zonder naar hun achtergrond te kijken. Het is niet geïnteresseerd in hun economische positie en wil niet weten of ze intellectuelen waren, of dichters. Het kijkt naar de wereld vanuit een neutrale invalshoek. Het heeft dezelfde dode trekken als zij, en de namen van hun achtergebleven weduwen. Het loopt net als zij langs akkers en buitenwijken en doemt net als zij plotseling op in een ingelaste nieuwsuitzending. Het bloedbad lijkt op mijn vrienden, maar het bereikt de afgelegen dorpen en de scholen van de kinderen altijd eerder dan zij.

Het bloedbad is een dode metafoor die uit de televisie komt en mijn vrienden opeet, zonder ook maar één snufje zout

Vertaling: Djûke Poppinga

كيف أصبحتُ... - How I become...

árabe | Ghayath Almadhoun

سقطَ حُزنُها من الشرفةِ وانكسر، أصبحتْ تحتاجُ إلى حزنٍ جديد، حين رافقتُها إلى السوق، كانتْ أسعارُ الأحزان خياليةً فنصحتُهَا أنْ تشتريَ حُزناً مستعملاً، وجدنا حزناً في حالةٍ جيدة، غيرَ أنَّهُ واسعٌ قليلاً، كانَ كما أخبرَنَا البائعُ لشاعرٍ شابٍ انتحرَ في الصيفِ الماضي، أعجبَها الحزنُ وقرَّرنا أخذه، اختلفنا مع البائعِ على السعرِ، فقال إنَّه سيعطينا قلقاً يعودُ إلى الستينياتِ كهديةٍ مجانيةٍ إن اشترينا الحزن، وافقنا وكنتُ فرحاً بهذا القلقِ الذي لم يكنْ في الحسبان، أحسَّتْ بفرحتي فقالت هو لك، أخذتُ القلقَ في حقيبتي ومضينا، مساءً تذكرتُ القلق، أخرجتُهُ من الحقيبةِ وقلَّبتُهُ، لقد كانَ بجودةٍ عاليةٍ وبحالةٍ جيدةٍ رغم نصفِ قرنٍ من الاستعمال، لا بدَّ أنَّ البائعَ يجهلُ قيمتَهُ وإلَّا ما كان ليعطينَاهُ مقابلَ شراء حزنٍ رديءٍ لشاعرٍ شاب، أكثرُ ما أفرحني به هو أنَّهُ قلقٌ وجودي، مشغولٌ بحرفيةٍ عاليةٍ وفيه تفاصيلُ غايةٌ في الدقةِ والجمال، لا بدَّ أنَّهُ يعودُ لمثقفٍ موسوعيٍ أو سجينٍ سابق، بدأتُ باستعمالهِ فأصبحَ الأرقُ رفيقَ أيَّامي، وصِرتُ من مؤيدي مباحثاتِ السلام، توقفتُ عن زيارةِ الأقاربِ وازدادتْ كتبُ المذكراتِ في مكتبتي ولم أعدْ أُبدي رأياً إلا ما ندر، صارَ الإنسانُ عندي أغلى من الوطنِ وبدأتُ أشعرُ بمللٍ عام، أمَّا أكثر ما لفتَ انتباهي هو أنني أصبحتُ شاعراً.

© Ghayath Almadhoun
Audio production: Literaturwerkstatt / Haus für Poesie, 2016

Hoe ik een dichter werd

holandês

Haar verdriet viel van het balkon en brak. Ze kreeg behoefte aan een nieuw verdriet. Toen ik met haar naar de markt ging, bleken de prijzen van verdriet onwaarschijnlijk hoog, dus adviseerde ik haar een tweedehands verdriet te kopen. We vonden een verdriet dat in goede staat verkeerde, het was alleen een beetje groot. Het had aan een jonge dichter toebehoord, die die zomer zelfmoord had gepleegd, vertelde de handelaar ons. Het verdriet beviel haar wel en we besloten het te nemen. Maar we waren het niet eens met de prijs, dus zei de handelaar dat hij er, als we het verdriet zouden kopen, gratis een pakketje leed uit de jaren zestig bij zou geven. We stemden in met zijn voorstel en ik was blij met het extra leed, waarop we niet hadden gerekend. Toen ze merkte hoe gelukkig ik ermee was, zei ze: ‘Je mag het hebben.’ Ik deed het leed in mijn tas en we gingen op weg. Die avond schoot het me weer te binnen. Ik haalde het uit mijn tas en bekeek het van alle kanten. Het was van hoge kwaliteit en verkeerde in goede staat, hoewel het al een halve eeuw was gebruikt. Kennelijk had de handelaar geen idee van de waarde gehad, anders had hij het ons vast niet gegeven in ruil voor de aanschaf van het onbeduidende verdriet van een jonge dichter. Wat me vooral tevreden stemde, was dat het existentieel leed was, dat bovendien uiterst professioneel in elkaar was gezet, met prachtige, bijzonder verfijnde details. Het had vast toebehoord aan een geleerde of een ex-gevangene. Ik begon het te gebruiken en zo werd de slapeloosheid mijn dagelijkse metgezel en werd ik een voorstander van de vredesbesprekingen. Ik ging niet meer op bezoek bij mijn naasten, het aantal memoires in mijn boekenkast groeide en ik uitte nog maar zelden mijn mening. Mensen werden me dierbaarder dan het vaderland en ik begon me te vervelen. Maar wat ik vooral opmerkelijk vond, is dat ik een dichter werd.

Vertaling: Djûke Poppinga

شيزوفرينيا - Schizophrenia

árabe | Ghayath Almadhoun

إيبر:
في مدينةِ إيبر التي تتوسطُ حقولَ الفلاندرز كما تتوسطُ إصبعٌ وسطى مرفوعةٌ في وجه العالم كف اليد، في مدينةِ إيبر التي مُسِحَتْ في الحربِ العالميةِ الأولى عن الخارطةِ كما مُسحَ الشعبُ الفلسطينيُّ من كتبِ المدارسِ وسجلاتِ التاريخ، في مدينة إيبر ولستُ متأكداً أيُّهما أكثر شاعريةً ومناسبةً للسياق، القولُ بعدَ مئةِ عامٍ على دمارها، أم بعدَ مئةِ عامٍ على إعادةِ إعمارها، في مدينةِ إيبر حيثُ تستطيعُ أنْ تضعَ يدكَ على التاريخِ الممدَّدِ أمامكَ كجثةٍ، أنْ تلمسَ الجرحَ لتكتشفَ أنَّه لا يزالُ ساخناً كحلمة امرأةٍ تذوبُ بين شفتيكَ، أتمشى أنا اللاجئُ الفلسطينيُّ الذي كان حتى فترةٍ وجيزةٍ محذوفاً من جميعِ الكتبِ والأخبارِ والأكاديمياتِ والتحقيقاتِ، فجميعنا يعلمُ أنَّ فلسطين أرضٌ بلا شعبٍ… هههههه …
على أيةِ حال، أنا اللاجئُ الفلسطينيُ الذي لم يكنْ له وجودٌ في هذا العالمِ المتحضرِ، أتمشى مثل أركولوجيٍ جاءَ برفقةِ بعثةِ استكشافٍ استعماريةٍ من وراءِ المحيطِ، قاطعاً نصفَ الكرةِ الأرضيةِ ليلمسَ عن كثبٍ وحشيةَ الهوموسيبيان، وليستمتعَ بنشوةِ إثباتِ أنَّ حنه أرندت كانت على حقٍ حين أكدتْ على عاديةِ الشرِّ. أنا اللاجئُ الفلسطينيُّ السوريُّ السويديُّ، أرتدي جينزاً ماركة ليفايز ابتكرَهُ مهاجرٌ يهوديٌ من ألمانيا في سان فرانسيسكو، وأملأُ كاميرتي بالصورِ كما تملأُ فلاحةٌ من روسيا سطلَ الحليبِ تحتَ بقرتها، هازَّاً رأسي بالإيجابِ كمن استوعبَ الدرسَ، درسَ الحربِ، أنا الفلسطينيُّ الموزعُ على عدةِ مجازرَ، أقفُ هنا عارياً، محاولاً أنْ ألبسَ قصيدتي علَّها تُخفي جراحي، متلبكاً ألملمُ قطعي من هنا وهناك، لكي أكونَ شاهداً، أنا الفلسطينيُّ العنيفُ حسبَ الكليشيهات والصور النمطية، القادمُ من بلادٍ مشهورةٍ بالحروبِ كما يدَّعي المستشرقون، ها أنا أجدُ نفسي واقفاً أمامكم، ينتابني شعورٌ بالخجل الشديدِ، نعم، بالخجلِ الشديدِ من ضآلةِ الحروبِ التي وقعتْ في بلادي أمامَ الحروبِ العظيمةِ التي وقعتْ في بلادكم، حروبُ بلادي الصغيرةُ التافهةُ أمامَ آلةِ حروبكم الضخمةِ المتطورةِ التي تطحنَ الأخضرَ واليابسَ، أمامَ أسلحتِكم المبدعة التي حولتِ الحربَ إلى فنٍ، أمامَ حروبِكم الملونةِ التي لا تبقي ولا تذر، أمامَ مجازرِكم الرائعةِ أيُّها الرجالُ البيض.
 
ــــــــــــــــــــــ

في مدينةِ إيبر التي تتوسطُ حقولَ الفلاندرز كما يتوسطُ الشرقُ الأوسطُ المشاكلَ، يتحولُ إرثُ الحربِ الثقيلِ إلى سياحةٍ ناجحةٍ، كلُّ شيءٍ يسقطُ بالتقادمِ، إلا في إيبر، هنا ذاكرةُ الحربِ تنمو مع مرورِ الوقتِ، حيثُ ذكرى الحربِ تأكلُ السياحَ وتكبرُ، تأكلُ المحاربين القدماءَ وتكبرُ، تأكلُ الحكائين وأحفادَ الرجالِ الذين قُتلوا هنا وتكبر، تأكلُ ذاكرةَ الذين لم يولدوا بعدُ وتنمو مثل عريشةِ عنبٍ، بقايا الأسلحةِ التي وُجدتْ في الحقولِ تُعرضُ على واجهاتِ المحلاتِ والمقاهي، صورُ المقاتلينَ بالأسود والأبيضَ بشواربَ مدببةٍ تشبهُ نصلَ السكين تجدُها في كلِّ مكانٍ، كلُّ شيءٍ في المدينةِ متصلٌ بالموتِ، قبرُ الجنديِّ المجهولِ يشبهُ جُرحاً م شفتوحاً، الموسيقى التي تُعزفُ كلَّ مساءٍ منذُ أكثر من ثمانين عاماً تشبهُ نزفاً لا ينقطعُ، الحقولُ التي تحوي ذكرياتِ رجالٍ قتلوا هنا لأسبابَ لا يعرفُونها، وهؤلاء المساكينُ الذين ولدوا بعدَ الحربِ ولم يشهدوا روعتها، الذين تلاحقهم حكاياتُها لكثرةِ ما سمعُوها، الذين تَرى في عيونهم ـ إنْ أنتَ دقَّقتَ قليلاً ـ أملاً كبيراً أنَّ حرباً أُخرى ستقعُ، ويقيناً أنَّ ذلك سوفَ يحدثُ، يقيناً قاطعاً حصلوا عليهِ من خلال معرفتهم بالجنسِ البشريِّ، وذلكَ هو الشيءُ الوحيدُ الذي يبقيهم متوازنين.
 
ــــــــــــــــــــــ

هامش 1:
سُميتْ في الولاياتِ المتحدةِ بالحربِ الأوروبيةِ، فماتَ فيها إلى جانبِ الأوروبيينَ أسيويونَ وأفارقةٌ وأميريكيون، وسُميتْ في أوروبا الحرب العُظمى، لكنْ لم يكنْ أيُّ شيءٍ فيها عظيماً، ولم يتوقعوا أنَّهم سيضطرون إلى تبديلِ الإسم لاحقاً من الحربِ العظمى إلى الحربِ العالميةِ الأولى حين تبدأُ الحربُ العالميةُ الثانية، فحتى تلكَ اللحظة كانَ العالَمُ رومانسياً ساذجاً، لم يكن أحدٌ يتوقع أنَّ هنالكَ ديسكو جماعي سيبدأُ بعدَ عقدينِ من نهايةِ هذه الرقصةِ العشوائيةِ، ولم يكنْ أحدٌ يصدقُ ماركس حين أكَّد أنَّ التاريخَ يكرِّرُ نفسَهُ، في المرةِ الأولى يكونُ على شكلِ مأساةٍ، وفي الثانيةِ على شكلِ ملهاة، وهو يشبهُ كثيراً ما حدث في أوروبا: مأساةُ الحربِ العالميةِ الأولى، وكرنفال الحربِ العالميةِ الثانية.
 
ــــــــــــــــــــــ

في مدينة إيبر، حيثُ يستطيعُ التاريخ أنْ ينظرَ إليكَ بعينين حديديتين، ويمسكَ طرفَ قميصكَ بيدٍ مرتخية، حيثُ تختلطُ عليكَ المئةُ سنةٍ الأخيرةُ فلا تعودُ تَعِي أين أنتَ، حيثَ سارَ رجالٌ بشواربَ تشبهُ أجنحةَ الطيرِ إلى حتفهمْ قانعين، 600 ألفِ رجلٍ تناثروا في الحقول، ذابوا في الأرضِ، تسربتْ ذكرياتُهم عن طريق التحلُّل إلى الترابِ، تسلَّلُوا إلى الخضارِ وحليبِ الأبقارِ وزهورِ الخشخاشِ، لوَّثُوا السهولَ بالاكتئابِ وبشعورٍ مُبْهَمٍ يُصيبُ النساءَ العابراتِ بشهوةٍ مفاجئةٍ، فسَّرَهُ أزواجُهُنَّ على أنَّهُ الحساسيةُ من الربيعِ، وفسَّرَهُ الشعراء على أنَّه الديجا فو، رجالٌ بشواربَ تشبهُ أجنحةَ الطيرِ، قرأُوا قصيدتي قبلَ أنْ أكتبَها، والتهوا بلفِّ سجائرهم، رأيتُ أحدَهُم يضعُ إصبعهُ في جرحِ صديقهِ فتذكرتُ توما، ورآني فتذكرَ نفسَه، رجالٌ بشواربَ تشبهُ أجنحةَ الطيرِ لا يزالون هناكَ، مرَّ قرنٌ ولا يزالون هناك، أمهاتهم شبعنَ موتاً وهم لا يزالونَ هناكَ، حبيباتهم هرمنَ وحيداتٍ مع رجالٍ آخرين، ولا يزالون هناكَ، عالقين في الزمكانِ، أحذيتُهُم عالقةٌ في الطينِ، بنادقُهُم صدئتْ، ذخيرتُهُم أفسدَهَا الماءُ، وغازُ الكلورين لا يزالُ يتمدَّدُ ويتمدَّدُ إلى أنْ وصلِ إلى دمشقَ، في مدينةِ إيبر، يستطيعُ التاريخُ أنْ ينظرَ إليكَ بعينينِ حديديتين، فيختلطُ الماضي بالحاضرِ بالغازِ، يختلطُ الغازُ في رئاتِ الذين ماتوا هنا، بالغاز في رئاتِ الذينَ ماتوا في ضواحي دمشقَ بعدَ مرورِ قرنٍ، لم يتعلمْ أحدٌ الدرسَ، لن يتعلمَ أحدٌ الدرس.
 
ــــــــــــــــــــــ

هامش 2:
فريتز هابر، عالم الكيمياء اليهودي الألماني، اكتشفَ السمادَ مرتين، الأولى حين خلطَ النيتروجين والهيدروجين ليصنعَ المتفجراتِ، محاولاً اكتشافَ وسيلةٍ جديدةٍ لقتلِ أكبر كميةٍ ممكنةٍ من الناسِ، فاكتشفَ الأمونياك، التي استخدمتْ في تسميدِ الحقولِ، فأنقذَ ملايين الناسِ من المجاعةِ، وحصلَ على جائزةِ نوبل في الكيمياءِ، هههههه، والثانيةُ حين اكتشفَ غازَ الكلورين، فتسببَ بقتلِ آلافِ الجنودِ اختناقاً وجعلَ أجسادَهُم سماداً لحقولِ الفلاندرز.
 
ــــــــــــــــــــــ

هامش 3:
في 22 أبريل 1915، ضرب الألمانُ بحضور فريز هابر 5730 اسطوانة من غازَ الكلورين على جنودِ الحلفاءِ في حقولِ الفلاندرز، قُتِلَ آلالافُ اختناقاً. انتحرتْ زوجةُ هابر كلارا إيمرفار التي كانتْ كيميائيةً يهوديةً ألمانيةً أيضاً بعد أيام من الهجوم بالغاز لمعارضتها الشديدة لدور زوجها المخزي في صناعة السلاح الكيميائي. في الصباح التالي لانتحارها، قام هابر بمغادرة منزله للتجهيز لأول هجوم بالغاز الكيمياوي ضد الروس في الجبهة الشرقية.
 
ــــــــــــــــــــــ

هامش 4:
لاحقاً أكملَ هابر بحوثَهُ، كان يحاولُ أنْ يُثبتَ للألمان أنَّه ألماني، ومن ضمن بحوثهِ عمل على فتح الباب إلى واحدٍ من أسوأ الأشياء في التاريخ، غازَ الزيكلون A، الذي طُوِّرَ لاحقاً إلى زيكلون B، والذي استخدمَهُ النازيون خلالَ الحرب العالمية الثانية لإبادة أكبر كميةٍ ممكنةٍ من اليهودِ في غرفِ الغازِ، من بينهم بعض أقارب فريتز هابر.
 
ــــــــــــــــــــــ

هامش 5:
في عام 1933 غادر فريتز هابر ألمانيا إلى بريطانيا بسبب القوانين النازية ضد اليهود، في عام 1934 وحين كان في طريقه إلى فلسطين ليعمل لحساب معهد بريطاني للعلوم، توفي أثناء الرحلة في فندق في مدينة بازل.
 
ــــــــــــــــــــــ

في إيبر، يخدَعُكَ جمالُ الطبيعةِ للوهلةِ الأولى فتأكلُ الطُعمَ، يخدعكَ السلامُ الممزوجُ بأعشابِ الحقلِ الممتدِّ على طولِ الخنادقِ، السلامُ العادلُ، ها هو يزحفُ إليكَ، يَدُهُ التي تحملُ السكينَ يخفيها تحتَ معطفهِ، لنْ تُفاجئكَ الطعنةُ الأولى، إنَّما ستفاجئكَ الطعنةُ الثانيةُ، ستفاجئكَ رتابةُ الموتِ، التكرارُ المملُّ المملُّ لرجالٍ يسقطون خلالَ الركضِ متعثرينَ برصاصةٍ، ستفاجئكَ رتابةُ الدروسِ التي لم يتعلمْها أحدٌ سوى الذين ماتوا، سيفاجئكَ جمالُ المعركةِ، الإيقاعُ الذي تعزفُهُ المدافعُ، الألوانُ التي تتطايرُ مع كلِّ قذيفةٍ تُقَبِّلُ الأرضَ، طنينُ الأذنِ، موسيقى المعادن وهي تعزفُ النشيدَ الوطنيَ للموتِ، أوركسترا ضرباتِ القلبِ، هنالكَ فرصةٌ كبيرةٌ لتكتشفَ قسوةِ الإنسانِ، ورقَّة الحديد.
 
ــــــــــــــــــــــ

إيبر، أيَّتُها المدينةُ التي تُخفي قبراً كبيراً، أيَّتُها المقبرةُ الجماعيةُ التي تلبسُ قناعَ مدينةٍ، حقيقةً، لا أعرفُ ماذا أقولُ، ولكنَّني واثقٌ أنَّنا لا نحتاجُ لقبرٍ آخرَ للجنديِّ المجهولِ، صدقيني، نحتاجُ قبراً لسائقِ الباصِ المجهولِ، ذلك المهاجرُ من تشيلي، ذلك الذي ماتَ وحيداً في فراشِهِ، ولم يفتقدْهُ أحدٌ، أو قبراً لبائعِ الفلافلِ المجهولِ الذي وُلدَ شبعاناً في الجنوبِ وماتَ جائعاً في الشمالِ، نحتاجُ قبراً كبيراً للنساءِ المجهولاتِ، النساءُ اللواتي تَنِزُّ دماؤُهُنَّ من بين شقوقِ جدرانِ المنازلِ فنحاولُ أنْ نُخفيها بالطلاءِ، اللواتي نسمعُ أنينهنَّ الخافتَ في ليالي الصيفِ الهادئةِ فنتظاهرُ بالشرودِ، اللواتي عَبَرنَ التاريخَ على أطرافِ أصابعهنَّ كي لا يُوقظنَ الوحشَ، اللواتي تألمنَ بصمتٍ مصدقاتٍ أنَّ اللهَ سيغضبُ إنْ قُلنَ لا، اللواتي أكلَهُنَّ البطركُ فاكتفينا بالصمتِ المطبقِ لأنَّنا جُبناء.
 
ــــــــــــــــــــــ

إنَّها الرقصةُ العالميةُ الأولى، الدعوةُ عامةٌ، صالةُ الرقصِ مفتوحةٌ على الهواءِ الطلْقِ، كانَ عزفاً عشوائياً، سقطتْ سبطانةُ البندقيةِ، سوفَ يجدُهَا فلاحٌ بعد مئةِ عامٍ فيظنُها ناياً، سقطتْ أسنانُ جنديٍ شاب بشظيةِ فراشةٍ، لنْ يجدَهَا أحدٌ، سقطتْ قذيفةٌ على مقبرةٍ فقُتِلَ الجنودُ ثانيةً، سقطتْ أحلامُ الذين ظنُّوا أنَّهُم سيعودون فعادتْ قطعُ حديدٍ صغيرةٌ نُقِشَتْ عليها أسماؤُهُم، الرقصةُ العالميةُ الأولى، سقطتْ مدينةٌ برصاصةٍ طائشةٍ، سقطَ الراقصونَ جميعاً، جميعاً، سقطَ العازفُون، سقطَ الطائرُ الواقفُ على الشجرةِ، سقطتْ الشجرةُ، وبقيتْ تفاحةُ نيوتن معلقةً في الهواء، لا جاذبيةَ هنا، ما يُمسكُ أحذيةَ الجنودِ هو الطينُ فقط، وأنا الناجي الوحيدُ من هذه المجزرةِ الرائعةِ، أنا الشاهدُ الذي وصلَ متأخراً، أراقبُ شواهدَ القبورِ بهدوءٍ، صدمتي أمامَ عاديتها يشبهُ صدمتَها أمامَ زائرٍ غير متوقعٍ، شاهدٌ من بلادٍ غير مسموحٍ لأبنائِها بالإدلاءِ بشهادتهم، ضحيةٌ تزور قبور ضحايا.
ـ هل أتيتَ هنا لتستفيدَ من دروسِ الحضارةِ الغربيةِ عن كيفيةِ قتلِ أكبرِ كميةٍ ممكنةٍ من الرجالِ بأحدث ما توصلتْ إليهِ الحضارةُ؟
ـ لا.
 هل أتيتَ لتتعلمَ من تجربةِ الموتِ المجانيِّ لـ 600 ألفِ رجلٍ أصبحوا سماداً لأزهارِ الخُشخاش؟
ـ لا.
 هل عليكَ أنْ تكتشفَ طريقةً جديدةً لإعادةِ تدويرِ الجنودِ، حيثُ يمكنُ إعادةُ استعمالهم مرةً أُخرى، في حروبٍ أخرى؟
ـ لا.
ـ هل أنتَ هنا لتتعلمَ القتلَ؟
ـ لا، أنا هنا لأتعلمَ الموت.
 
ــــــــــــــــــــــ

دمشق:
كنت ذاهباً للموتِ حين أوقفني المقاتلون، فتشوني فوجدوا قلبي معي، مرَّ وقتٌ طويلٌ لم يشاهدوا فيهِ قلباً مع صاحبِهِ، صرخَ أحدُهُم: لا يزالَ حياً، فقرروا أن يحكموا عليَّ بالحياة، كنتُ أرى نساءَ متشحاتٍ بالبياض يُشبهن الممرضات ولكنهنَّ يُحلقنَّ في الهواء، كانتْ حُقَنُ المورفين تأخذني إلى معاركَ من نوعٍ مختلفٍ، حيثُ الأشجارُ زرقاء، والمياهُ خضراء كالبرتقال، كنتُ أرى نساءَ متشحاتٍ بالبياض يرمقنني ويدخلنَّ في الغيابِ، كانتْ حُقَنُ المورفين تدخلني في الدهاليز التي تقع بين دمشقَ وستوكهولم، فأجدُ نفسي جالساً بانتظار الباص، أفكرُ في بلادٍ يموتُ فيها الناسُ في فراشهم محاطين بالأهلِ، حيث لا يوجدُ إعلاناتٌ لكوكا كولا ولا صورٌ لنساءَ نحيلاتٍ عارياتٍ في كلِّ مكانٍ، أحلمُ أنَّني أُمسكُ قمراً أزرقَ في يدي، وأنَّ الطريقَ خضراءَ، أنَّني أشربُ ماءً بارداً في تموزَ في شرفةِ شقةٍ تطلُّ على دمشقَ من جبلِ قاسيون، أنَّ قلبي معي، وأنَّ أصدقائي لا يزالون على قيدِ الحياةِ، أنَّنا سنلتقي مساءً في مطعمِ النورماندي، ثم سنتسكع في شوارع المدينة القديمةِ حين نُفلسُ، أنَّني جامحٌ والقصيدةُ تقفُ إلى جانبي ضدَّ التاريخ، أحلمُ بالنساء، يا الله كم أحبُّ النساءَ، لقد تعلمتُ من النساء أكثرَ مما تعلمتُ من المدارس، وتعلمتُ من الحربِ أكثرَ مما تعلمتُ من السلم، وأستطيعُ أنْ أؤكدَ لكم، أنَّ كثيراً من الجنودِ يتحولون إلى مجرمي حربٍ، وكثيراً من الشعراء يتحولون إلى مجرمي سلمٍ، وأنَّ الأخبارَ الجيدةَ في الحربِ هي أنْ لا يكونَ هناكَ أخبارٌ سيئةٌ، وأنَّ الذين خسروا الحربَ هم الذين ماتوا، من الطرفين، وأنَّ الحربَ في طفولتها ترضعُ دَمَ الجنودِ، وحين تكبرُ تشوي بساطيرهم على نارٍ هادئةٍ، وأنَّها تموتُ حينَ يعيشون.
 
ــــــــــــــــــــــ

هامش 6:
أُفكرُ بفلسطين، البلادُ التي اخترعتْ اللهَ فتسببتْ بسفكِ ملايين الأرواحِ بإسم الله، بلادُ الحليبِ والعسلِ، التي لا يوجدُ فيها لا حليبٌ ولا عسلٌ، البلادُ المقدسةُ، التي خُضنا من أجلها حروباً مقدسةً، وهُزمنا فيها هزائمَ مقدسةً، وهُجِّرْنَا منها تهجيراً مقدساً، وسكنا من أجلها في مخيماتِ لجوءٍ مقدسةٍ، ومُتنا من أجلها موتاً مقدساً، أفكرُ فيها فيلاحقني صوتُ الشيخِ الذي كلما سألتُهُ ردَّدَ سطراً من القرآن: {يَا أَيُّهَا الَّذِينَ آمَنُواْ لاَ تَسْأَلُواْ عَنْ أَشْيَاءَ إِن تُبْدَ لَكُمْ تَسُؤْكُمْ}، ولا زلت أتساءَل: أيُّهما أبعدُ عن الأرض؟ كوكب المشتري؟ أم حل الدولتين؟ أيهما أقربُ إلى روحي؟ جنديٌ من بلدي؟ أم شاعرٌ من أعدائي؟ ما هو أسوأُ شيءٍ قامَ به ألفريد نوبل؟ الديناميت؟ أم جائزةُ نوبل؟
 
ــــــــــــــــــــــ

ستوكهولم:
حسناً، أنا الآن في ستوكهولم، أتمتعُ بالرفاهيةِ في بلدٍ لم يخضْ حرباً منذ مائتي عام، حيث كلُّ شيءٍ يحدثُ بصمتٍ، الفرحُ، الحزنُ، الجنونُ، حتى العنفُ يحدث بصمتٍ، ولكنَّني عوضاً عن أن أصابَ بستوكهولم سيندروم، أصبتُ بدمشق سيندروم، وهذهِ حكايةٌ أُخرى، تحتاجُ قصيدةً أُخرى لروايتها، لأنَّها غيرُ موجودةٍ أصلاً، المهم أنَّني لم أعدْ أهتمُ بالتفاصيلِ الجانبيةِ، رقمُ الباصِ المؤدي إلى بيتكِ لم أحفظْهُ حتى اللحظة، رغمَ ذلكَ أَصِلُ في كلِّ مرةٍ إليكِ وأتسلَّلُ بجانبكِ في الفراش، لم أعدْ أتذكرُ كيف غيَّر جَسَدُكِ فهمي للمواقعِ والاتجاهاتِ، أساساً أنا لا أعرفُ أين يقعُ هذا المنزلُ بالضبطِ، إنَّه في مكانٍ ما على الخريطةِ، لا أستعملُ الـ GPS في العشقِ، تزعجُنِي حقيقةُ أنَّهُ يعرفُ الطريقَ إلى بيتكِ أكثرَ مني، أحبكِ بهدوءٍ قاتلٍ، وأسقطُ إليكِ من ارتفاعٍ شاهقٍ، ولكنْ ببطءٍ، ببطءٍ شديدٍ، كما لو أنَّني أستعملُ خاصيةَ الـ slow motion، أسقطُ في حبِّكِ، هكذا، كما يسقطُ الجنودُ برصاصةٍ، كما تسقطُ الأسعارُ في البورصة، كما تسقط جدرانُ الفصلِ العنصريِّ، كما تسقطُ المدنُ المحاصرةُ.
أتذكرُ البداياتِ، حينَ أكلتُكِ في المسرحِ، حين ضِعتُ فيكِ فأشفقَ عليَّ المارةُ، حين وقعتْ من حقيبتكِ شجرةُ تفاحٍ فانفضحَ أمرُنَا، حين أصبحَ الجنسُ سيِّدَ الموقفِ وأصبحتُ أنا عدائيَّاً مثلَ ساعةِ حائطٍ في قاعةِ انتظار.
لم أغيرْ المصباحَ المحروقَ في مدخلِ بيتكِ كما وعدتُكِ قبلَ سنةٍ، لكنَّني غيَّرتُ معتقداتي حول الحضارةِ الغربيةِ، سوف تُغيرني امرأةٌ أُخرى مرةً أُخرى في المستقبلِ إنْ شاءَ الله.
أتسلَّلُ بجانبكِ فتتظاهرين بالنومِ، لكنَّني أشمُ رائحةَ الجنسِ بانتصابةِ حلمتيكِ، فأعرفُ أنَّكِ كاذبةٌ، كاذبة، وأنَّكِ ترغبين أنْ أُبادِرَ أنا بالتهامِكِ، فذلك يُرضيْ النظرةَ الاستشراقيةَ والصورة النمطية التي خلفتْهَا سنواتُ الاستعمارِ الطويلةُ عن الشرقِ عموماً، وعن شابٍ عربيٍ على وجهِ التحديدِ، ولكنَّني بكلِّ ما أملكُ من خبثِ البدويِّ الذي يسكنني، أخيِّبُ آمالكِ، وأُطلِقُ خرافي المسكينةَ لترعى أمامَ ذئبكِ الجائع، وأنتظرُ، وأنتظرُ، وأنتظر... لا يخيِّبُ ذئبُ شهوتِكِ توقعاتي، ممزقاً لحمَ خرافي فوقَ فراشِكِ الأبيضَ الذي يُشبهُ صحراءَ سويديةً من الثلجِ، رائحةُ نهديكِ تتفاعلُ مع ضوءِ غرفتكِ الأصفرَ فيتولَّدُ ثاني أوكسيد النعاس، أتعرَّقُ حتى تختلطَ عليَّ القصائدُ العربيةُ بالسويديةِ، لم أعدْ أهتمُ بالتفاصيلِ الجانبيةِ، لا تهمُنِي مدينةٌ لستِ تعيشين فيها، لا يهمُنِي وطنٌ لست فيه.
 
ــــــــــــــــــــــ

هامش 7:
الطريقُ إلى دمشقَ مليئةٌ بالذكرياتِ، وأنا متعبٌ منذُ أرضعني المخيمُ حليبَ الأممِ المتحدةِ المجفَّفَ، وأثقلَ كاهلي باللجوء، الطريقُ إلى دمشق التي هجَرْتُها عام 2008 لم تعدْ تُغريني، فبعدَ أنْ تذوقتُ طعمَ الحريةِ لم أعدْ قادراً على التخفي خلفَ المجازِ لكي أنجو من المخبرين.
الطريق إلى إيبر معبدةٌ بالجثث، وأنا متعبٌ منذ قتلني أولا عمي، وتركوني لتأكلني الطير.
الطريقُ إلى ستوكهولم مغلقٌ بسببِ تراكمِ الثلوجِ.
الطريقُ إلى الحرب هادئة، فيها استراحةٌ صغيرةٌ ينزلُ بها المتجهونَ إلى المجزرةِ، يرتاحون قليلاً ويتزودونَ بالماءِ، يشربونَ الشايَ، ويتحدثونَ عن أسبابِ الموتِ الممنهج، في الصباحِ يكملونَ طريقهم كي يتناقشوا بالرصاصِ، وأنا أظلُّ عالقاً بين المتناقضاتِ، أنا الشاهدُ الذي وصلَ متأخراً والشهيد الذي لم يصلْ، القاتلُ والقتيلُّ، الجاني والضحيةُ، أنا الهنديُّ الأحمرُ، أنا الهنديُّ الأزرقُ، أنا الهنديُّ الأخضرُ، أنا الفلسطينيُّ الأسودُ، وهذهِ الحربُ تنقُصُهَا قصيدةٌ كي لا يُولدَ المجازُ ميتاً، كي لا يصبحَ الموتُ ثقيلاً كمدفأةٍ برونزيةٍ تجثمُ على الحكاية، لا يستطيعُ الموتُ أنْ يمنَحَنِي وطناً، وإنْ استطاعَ فإنَّني لا أريدُهُ، إيبر كانتْ كابوساً انتهى منذُ مئةٍ عامٍ، ودمشقُ كابوسٌ يحدث الآن، وأنا عالقٌ في ستوكهولم، القصائدُ التي كتبتُها في دمشقَ أعدمَهَا الجنودُ، والقصائدُ التي كتبتُها في إيبر لم تصعدْ معي إلى الطائرةِ، والقصائدُ التي تسكنُ معي في ستوكهولم مصابةٌ بنقصٍ حادٍ في فيتامين د.
 
ــــــــــــــــــــــ

إيبر:
الحربُ خلفَ البابِ.
 
ــــــــــــــــــــــ

دمشق:
في الثالثة فجراً، تسقطُ صواريخُ محملةٌ بغازِ السارين في عدةِ أماكنَ في ضواحي دمشقَ المكتظةِ بالسكانِ، تضيقُ حدقاتُ العيونِ، تتَّسِعُ الرؤيةُ، تهتزُّ أجسادُ الأطفالِ بطريقةٍ منظمةٍ، تهتزُّ بشدةٍ، إنَّها هزةٌ أرضيةٌ من نوعٍ مختلفٍ، حيثُ البيوتُ ثابتةٌ والأجسادُ هي التي ترتجفُ، إنَّها هزةٌ أخلاقيةٌ تُصيبُ هذا العالم.
 
ــــــــــــــــــــــ

ستوكهولم:
المدينةُ هادئةٌ.
 



_________________
_________________

كُتبتْ هذه القصيدة بعد زيارة لمدة أسبوعين لمدينة إيبر تزامنت مع ذكرى مرور مئة عام على أول هجوم بالسلاح الكيمياوي في التاريخ جرى في حقول الفلاندرز خلال الحرب العالمية الأولى، والنص كُتبَ لصالح مشروع كتاب المدينة "سيتي بوك" إيبر الذي يقام بالتعاون مع البيت الفلامنكي الهولندي "ديبورين" الجيران.
 
 

© Ghayath Almadhoun
citybooks,
Audio production: citybooks / Vlaams-Nederlands Huis deBuren (Brussel)

Schizofrenie

holandês

Ieper
In de stad Ieper, die midden tussen de Vlaamse akkers ligt, zoals een naar de wereld opgestoken middelvinger zich in het midden van de hand bevindt … In de stad Ieper, die in de Eerste Wereldoorlog van de kaart is gewist, zoals het Palestijnse volk uit de schoolboeken en de historische archieven is gewist … In de stad Ieper – ik weet niet zeker welke formulering poëtischer is en beter in de context past: 'honderd jaar na zijn  vernietiging', of 'honderd jaar na zijn wederopbouw' … In de stad Ieper, waar je je hand kunt leggen op de geschiedenis die languit voor je ligt als een lijk, waar je de wond kunt aanraken om te ontdekken dat hij nog warm is als de tepel van een vrouw die smelt tussen je lippen … Daar dwaal ik rond, een Palestijnse vluchteling, die tot voor kort nog uit alle boeken, nieuwsberichten, academies en onderzoeken werd geschrapt, want we weten allemaal dat Palestina een land is zonder volk … Hahaha …
Hoe het ook zij: ik, de Palestijnse vluchteling die niet bestond in deze beschaafde wereld, dwaal rond als een archeoloog die met een kolonialistische verkenningsmissie vanachter de oceaan is gekomen en de halve aardbol heeft afgereisd om de barbaarsheid van de homo sapiens van nabij te voelen en de euforie te ervaren van de bevestiging dat Hannah Arendt gelijk had toen ze de banaliteit van het kwaad benadrukte. Ik ben een Palestijns-Syrisch-Zweedse vluchteling, ik draag een broek van het merk Levi's, in San Francisco bedacht door een joodse migrant uit Duitsland. Ik vul mijn camera met foto’s, zoals een boerin uit Rusland de melkemmer onder haar koe vult. Ik knik met mijn hoofd als iemand die de les heeft begrepen: de les van de oorlog. Ik, de Palestijn, verdeeld over tientallen slachtingen, sta hier naakt. Ik probeer me te hullen in mijn gedicht, in de hoop dat het mijn wonden zal verhullen. Beduusd verzamel ik hier en daar mijn brokstukken, zodat ik een getuige kan zijn. Hier sta ik, de gewelddadige Palestijn, volgens de clichés en de stereotypen, afkomstig uit een land dat bekend staat om zijn oorlogen, zoals de oriëntalisten beweren. Ik sta voor jou, bevangen door een hevige gêne, ja, een hevige gêne voor de nietigheid van de oorlogen in mijn land, in vergelijking met de enorme oorlogen in die van jullie. De kleine, onbeduidende oorlogen van mijn land tegenover jullie gigantische, almaar groeiende oorlogsmachine, die alles wat groen en dor is vermorzelt, tegenover jullie inventieve wapens die de oorlog tot een kunst verheffen, tegenover jullie bontgekleurde oorlogen die niets overeind laten staan, tegenover jullie schitterende bloedbaden, o witte mannen.


In de stad Ieper, die zich te midden van de Vlaamse akkers bevindt, zoals het Midden-Oosten zich te midden van de problemen bevindt, verandert de zware erfenis van de oorlog in een succesvolle toeristenattractie. Alles verjaart, behalve in Ieper. Hier wordt de herinnering aan de oorlog juist intenser met het verstrijken van de tijd. De oorlogsherinnering eet de toeristen op en wordt groter, ze eet de veteranen op en wordt groter, ze eet de vertellers op en de kleinkinderen van de mannen die hier zijn gesneuveld, en ze wordt groter. Ze eet de herinnering op van hen die nog niet zijn geboren en groeit als een wijnrank in een pergola. De resten van de wapens die in de akkers zijn gevonden, liggen uitgestald in de etalages van de winkels en de koffiehuizen. Zwart-witfoto’s van strijders, hun snorren puntig als het lemmet van een mes … Overal kom je ze tegen. Alles in de stad is verbonden met de dood. Het graf van de onbekende soldaat lijkt op een open wond, de muziek die al meer dan tachtig jaar elke avond wordt gespeeld, lijkt op een chronische bloeding. De akkers herbergen de herinneringen van de mannen die hier zijn gedood om redenen die ze niet kenden. En de arme stakkers die na de oorlog zijn geboren en geen getuige zijn geweest van zijn schoonheid, worden achtervolgd door zijn verhalen, zo vaak hebben ze ze gehoord. Als je wat beter kijkt zie je in hun ogen de hoop dat er een andere oorlog zal komen en de zekerheid dat dat zal gebeuren, een stellige zekerheid die ze hebben verkregen dankzij hun kennis van de menselijke soort. Dat is het enige wat hen in evenwicht houdt.


Noot 1:
In de Verenigde Staten werd hij de Europese Oorlog genoemd, waarin afgezien van Europeanen Aziaten, Afrikanen en Amerikanen zijn gesneuveld. In Europa werd hij de Grote Oorlog genoemd, maar er was niets groots aan. Ze hadden niet voorzien dat ze later, toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak, gedwongen zouden zijn de naam te veranderen van de Grote Oorlog in de Eerste Wereldoorlog. Tot dat moment was de wereld zo romantisch en onschuldig geweest dat niemand had kunnen vermoeden dat twee decennia na het einde van die spontane dans een disco zou beginnen waar iedereen aan deelnam. Niemand geloofde Marx toen die beweerde dat de geschiedenis zichzelf herhaalt: de eerste keer als een tragedie en de tweede keer als een klucht. Dit is ongeveer wat er in Europa gebeurde: de tragedie van de Eerste Wereldoorlog en het carnaval van de Tweede.


In de stad Ieper, waar de geschiedenis in staat is je met stalen ogen aan te kijken en met een slappe hand de slip van je overhemd vast te pakken, waar de afgelopen honderd jaar zo verwarrend zijn dat je niet meer weet waar je staat, waar mannen met snorren als vleugels voldaan op hun dood zijn afgestevend. Zeshonderdduizend mannen verspreid over de akkers, opgelost in de aarde. Hun herinneringen raakten in ontbinding, lekten weg in de bodem en drongen in het gebladerte, de koeienmelk en de klaprozen, ze vervuilden de vlakten met somberheid en een vaag gevoel dat de passerende vrouwen trof met een plotseling verlangen. Hun echtgenoten legden het uit als een lenteallergie, de dichters als een déjà vu. Mannen met snorren als vleugels lazen mijn gedicht voordat ik het had geschreven en rolden vergenoegd een sigaret. Ik zag hoe een van hen zijn vinger legde op de wond van zijn vriend en ik dacht terug aan de ongelovige Thomas. Hij zag mij en dacht terug aan zichzelf. Er zijn daar nog steeds mannen met snorren als vleugels. Er is een eeuw vervlogen en ze zijn er nog. Hun moeders zijn vervuld van de dood en zij zijn er nog, hun geliefden zijn eenzaam oud geworden met andere mannen, en zij zijn er nog. Ze hangen in de ‘ruimte-tijd’, hun laarzen zitten vast in de modder, hun geweren zijn verroest, hun munitie is beschadigd door het water, het chloorgas verspreidt zich nog steeds en zal zich blijven verspreiden tot het Damascus heeft bereikt. In de stad Ieper is de geschiedenis in staat je aan te kijken met stalen ogen. Heden en verleden vermengen zich met het gas. Het gas in de longen van hen die hier zijn gestorven vermengt zich met het gas in de longen van hen die een eeuw later zijn omgekomen in de buitenwijken van Damascus. Niemand heeft de les geleerd, niemand zal haar leren.


Noot 2:
Fritz Haber, de joods-Duitse chemicus, heeft twee keer de kunstmest uitgevonden. De eerste keer toen hij nitrogeen mengde met hydrogeen om explosieven te maken, in een poging een nieuw middel uit te vinden om zo veel mogelijk mensen te doden. Uiteindelijk ontdekte hij ammoniak, dat wordt gebruikt voor de bemesting van akkers. Daarmee heeft hij miljoenen mensen van de hongerdood gered. Hij heeft er de Nobelprijs voor chemie voor gekregen… Hahaha. De tweede keer ontdekte hij chloorgas, waardoor duizenden soldaten door verstikking zijn omgekomen. Hun lichamen dienden als mest voor de Vlaamse akkers.


Noot 3:
Op 22 april 1915 hebben de Duitsers in aanwezigheid van Fritz Haber 5730 cilinders chloridegas op de geallieerden in de  Vlaamse akkers afgeschoten. Duizenden zijn door verstikking omgekomen. Clara Immerwahr, Habers vrouw en net als hij een joods-Duitse scheikundige, heeft een paar dagen na de gasaanval zelfmoord gepleegd, omdat ze zich heftig verzette tegen de beschamende rol die haar echtgenoot speelde in de productie van chemische wapens. De volgende ochtend verliet Haber zijn huis om de eerste chemische gasaanval tegen de Russen aan het Oostfront voor te bereiden.


Noot 4:
Haber zou zijn onderzoek voortzetten. Hij probeerde aan de Duitsers te bewijzen dat hij een echte Duitser was en binnen de onderzoeken die hij uitvoerde, droeg hij bij tot de ontwikkeling van een van de ergste uitvindingen in de geschiedenis: Zyklon A, waaruit later Zyklon B is ontwikkeld, dat de nazi’s in de Tweede Wereldoorlog hebben gebruikt om zoveel mogelijk joden in de gaskamers te vernietigen, van wie sommigen verwanten waren van Fritz Haber.


Noot 5:
In 1933 vertrok Fritz Haber uit Duitsland en vestigde zich in Groot-Brittannië, vanwege de naziwetten tegen de joden. In 1934 stierf hij in een hotel in Bazel, toen hij op weg was naar Palestina om daar voor het Britse Instituut voor Wetenschappen te gaan werken.


In Ieper word je op het eerste gezicht misleid door de schoonheid van de natuur en hap je toe. Je wordt misleid door de vrede, vermengd met de gewassen in de wei die zich uitstrekt langs de loopgraven. De rechtvaardige vrede. Kijk, daar kruipt ze naar je toe, haar hand, waarin ze het mes draagt, verbergt ze onder haar jas. Je zult niet verrast worden door de eerste steek, maar wel door de tweede, door de eentonigheid van de dood, door de saaie, saaie herhaling van mannen die vallen tijdens het rennen, omdat ze geraakt zijn door een kogel. Je zult verrast worden door de eentonigheid van de lessen die niemand heeft geleerd, behalve zij die zijn gestorven. Je zult verrast worden door de schoonheid van de strijd, door de maat die wordt geslagen door de kanonnen, door de kleuren die meewaaien met elke granaat die de aarde kust, door de oorsuizingen, door de muziek van het metaal dat het volkslied van de dood speelt, door het orkest van de hartkloppingen. Een uitgelezen kans om de wreedheid van de mens en de fijngevoeligheid van het staal te ontdekken.


O Ieper, de stad die een geweldig graf aan het gezicht onttrekt. O massagraf, dat het masker draagt van een stad. Ik weet echt niet wat ik moet zeggen, maar ik ben ervan overtuigd dat we niet nog een graf nodig hebben voor een onbekende soldaat. Geloof me, we hebben een graf nodig voor de onbekende buschauffeur, die migrant uit Chili, die alleen in zijn bed is gestorven zonder dat iemand hem miste, of een graf voor de onbekende falafelverkoper die met een volle buik werd geboren in het zuiden en hongerig stierf in het noorden, we hebben een groot graf nodig voor de onbekende vrouwen, wier bloed dat sijpelt uit de kieren van de muren we over proberen te schilderen, vrouwen wier zachte gekerm we horen in stille zomernachten, terwijl we doen alsof we het niet merken. Vrouwen die op hun tenen de geschiedenis hebben doorkruist om het beest niet wakker te maken, vrouwen die in stilte hebben geleden, in de vaste overtuiging dat God kwaad zou worden als ze nee zouden zeggen, vrouwen die zijn opgegeten door de patriarch, waarna wij er – laf als we waren – het zwijgen toe deden.
Zij was de Eerste Werelddans, waarvoor iedereen was uitgenodigd, met een danszaal in de openlucht. Flarden van tonen. De loop van een geweer viel op de grond en zou honderd jaar later worden gevonden door een boer die dacht dat het een fluit was. Tanden vielen uit de mond van een jonge soldaat door de splinter van een vlinder. Niemand zou ze vinden. Er viel een bom op een graf en de dode soldaten werden voor de tweede keer gedood. De dromen van hen die dachten dat ze zouden terugkeren vielen neer. Er kwamen enkel kleine metalen plaatjes terug, met daarin hun namen gegraveerd. De Eerste Werelddans. Er viel een stad door een verdwaalde kogel. Alle dansers vielen, allemaal. De muzikanten vielen, de vogel die in de boom zat viel, de boom viel, maar de appel van Newton bleef in de lucht hangen. Geen zwaartekracht hier. Alleen de modder heeft greep op de laarzen van de soldaten. En ik ben de enige overlevende van deze schitterende massaslachting, ik ben de getuige die te laat is gekomen. Kalm bekijk ik de grafstenen, mijn geschoktheid door hun banaliteit lijkt op hun geschoktheid door een onverwachte bezoeker, een getuige uit landen waarvan het de kinderen niet is toegestaan een getuigenis af te leggen. Een slachtoffer dat de graven van slachtoffers bezoekt.
‘Ben je hier gekomen om te leren van de lessen van de westerse beschaving: hoe je zoveel mogelijk mannen kunt doden met de meest geavanceerde middelen die de beschaving heeft voorgebracht?’
‘Nee.’
‘Ben je gekomen om te leren van de ervaring van de zinloze dood van zeshonderdduizend mannen die mest zijn geworden voor de klaprozen?’
‘Nee.’
‘Moet je een nieuwe manier ontdekken om soldaten te recyclen, zodat ze opnieuw kunnen worden gebruikt in andere oorlogen?’
‘Nee.’
‘Ben je hier om te leren hoe je moet doden?’
‘Nee, ik ben hier om te leren hoe je moet sterven.’


Damascus
Ik was op weg naar de dood, toen de strijders me tegenhielden. Ze fouilleerden me en ontdekten dat ik mijn hart bij me had. Het was lang geleden dat ze een hart en zijn eigenaar samen hadden gezien. Een van hen schreeuwde: ‘Hij leeft nog’, en ze besloten me te veroordelen tot het leven. Ik zag vrouwen in witte kleren die leken op verpleegsters, maar ze zweefden door de lucht. De morfine-injecties brachten me naar strijdperken van een andere soort, waar de bomen blauw waren en het water groen als sinaasappels. Ik zag vrouwen in witte kleren die me aanstaarden en zich langzaam in het onbekende begaven. De morfine-injecties brachten me in de tunnels tussen Damascus en Stockholm. Toen zat ik ineens op de bus te wachten en dacht ik aan een land waarin de mensen sterven in hun bed, omringd door familieleden, waar niet overal coca-colareclames of foto’s van magere, naakte vrouwen hangen. Ik droom dat ik een blauwe maan in mijn hand houd, dat de weg groen is en dat ik koud water drink in juli op een dakterras dat vanaf de Kassioenberg uitkijkt over Damascus. Ik droom dat mijn hart bij me is, dat mijn vrienden nog in leven zijn en dat we elkaar ’s avonds zullen ontmoeten in restaurant Normandie. Daarna zullen we, als we blut zijn, door de straten van de oude stad slenteren. Ik droom dat ik ontembaar ben en dat het gedicht samen met mij in opstand komt tegen de geschiedenis. Ik droom van vrouwen, mijn God, wat houd ik van vrouwen. Ik heb meer van vrouwen geleerd dan van scholen, ik heb meer van de oorlog geleerd dan van de vrede. Ik kan jullie verzekeren dat veel soldaten veranderen in oorlogsmisdadigers, dat veel dichters veranderen in vredesmisdadigers, dat goed nieuws in de oorlog betekent dat er geen slecht nieuws is, dat de verliezers in de oorlog de slachtoffers zijn, aan beide kanten. Dat de oorlog in zijn jeugd wordt gezoogd met het bloed van de soldaten en dat hij, wanneer hij ouder wordt, hun schoenen roostert op een zacht vuur. Dat hij sterft als zij blijven leven.


Noot 6:
Ik denk aan Palestina, het land dat God heeft uitgevonden en dat in Zijn naam het bloed van miljoenen zielen heeft vergoten. Het land van melk en honing, waar geen melk en honing te vinden is. Het heilige land, omwille waarvan we ons in heilige oorlogen hebben gestort, waarin we heilige nederlagen hebben geleden, vanwaar we een heilige uittocht hebben ondernomen, omwille waarvan we in heilige vluchtelingenkampen hebben gewoond en een heilige dood zijn gestorven. Als ik denk aan Palestina, word ik achtervolgd door de stem van de sjeik die steeds wanneer ik hem iets vroeg, een regel uit de Koran reciteerde: ‘Jullie die geloven! Vraagt niet naar dingen die jullie zullen kwellen als ze jullie bekend worden.” *Ik vraag me nog steeds af wat verder is verwijderd van de aarde: Jupiter of de tweestatenoplossing? Wie is meer verwant aan mijn ziel: een soldaat uit mijn land of een dichter onder mijn vijanden? Wat is het ergste dat Alfred Nobel heeft gecreëerd? Het dynamiet of de Nobelprijs?


Stockholm
Goed, ik woon nu in Stockholm, ik geniet van de luxe in een land dat al tweehonderd jaar geen oorlog meer heeft gevoerd. Waar alles zich in stilte voltrekt: blijdschap, verdriet, waanzin, zelfs het geweld vindt plaats in stilte. Toch lijd ik niet aan het stockholmsyndroom, maar aan het syndroom van Damascus. Maar dat is een ander verhaal, dat een ander gedicht vereist om het te vertellen, omdat het er eigenlijk nooit geweest is. Waar het om gaat, is dat ik niet meer geïnteresseerd ben in onbeduidende details. Tot de dag van vandaag heb ik het nummer van de bus die naar jou huis rijdt niet kunnen onthouden. En toch weet ik je altijd te vinden en kruip ik naast je in bed. Ik herinner me niet meer hoe jouw lichaam mijn begrip van plaats en richting heeft veranderd. Eigenlijk weet ik niet waar dit huis zich precies bevindt. Ergens op de kaart. Ik gebruik geen gps in de liefde. Het stoort me dat hij de weg naar jouw huis beter kent dan ik. Ik houd van je met een dodelijke kalmte, ik daal op je neer vanuit een enorme hoogte, maar wel langzaam, heel langzaam, als in slow motion. Ik val voor je. Zo. Zoals soldaten vallen door een kogel, zoals koersen vallen op de beurs, zoals de muren van de apartheid vallen, zoals belegerde steden vallen.
Ik herinner me het begin, toen ik je opat in het theater, toen ik in je verdwaalde en de voorbijgangers medelijden met me kregen, toen er een appelboom uit je tas viel en onze affaire aan het licht kwam, toen alles om seks draaide en ik vijandig werd als een wandklok in een wachtkamer.
Ik heb de doorgebrande lamp in de hal van je woning niet vervangen, zoals ik je een jaar geleden heb beloofd, maar wel heb ik mijn oordeel over de westerse beschaving vervangen. Ik hoop dat in de toekomst een andere vrouw op een ander moment mij zal vervangen.
Ik kruip naast je en je doet alsof je slaapt, maar je opgerichte tepels ruiken naar seks, dus weet ik dat je liegt, dat je liegt en dat je wil dat ik je verslind, want dat zou beantwoorden aan de oriëntalistische visie en de stereotype beelden over het Oosten die de lange jaren van kolonialisme hebben achtergelaten, in het bijzonder over jonge Arabische mannen. Maar met alle bedoeïenensluwheid die ik in me heb, stel ik je teleur. Ik laat mijn arme lammetjes grazen voor jouw hongerige wolf en ik wacht en wacht en wacht … De wolf van jouw lust voldoet aan mijn verwachtingen. Hij verscheurt het vlees van mijn lammetjes op jouw witte bed, dat lijkt op een Zweedse sneeuwwoestijn. De geur van je borsten reageert met het gele licht van je kamer en ontwikkelt slaperigheidsdioxide. Ik zweet, tot de Arabische gedichten versmelten met de Zweedse. Ik ben niet meer geïnteresseerd in onbeduidende details, ik heb geen oog meer voor steden waar jij niet woont. Ik heb geen oog meer voor een land waarin jij niet leeft.


Noot 7:
De weg naar Damascus is vol herinneringen en ik ben moe, sinds het kamp me voedde met de poedermelk van de Verenigde Naties en me belastte met het vluchtelingschap. De weg naar Damascus die ik in 2008 heb verlaten, bekoort me niet meer, want nu ik de smaak van de vrijheid heb geproefd, lukt het me niet meer me te verstoppen achter metaforen om aan de geheime agenten te ontsnappen.
De weg naar Ieper is geplaveid met lijken en ik ben moe sinds mijn neven me hebben gedood en me als voer voor de vogels hebben achtergelaten.
De weg naar Stockholm is afgesloten door zware sneeuwval.
De weg naar de oorlog is rustig. Er is een kleine pleisterplaats, waar zij die op weg zijn naar de slachting neerstrijken om even uit te rusten en water in te slaan. Ze drinken thee en bespreken de oorzaken van de voorgeprogrammeerde dood. De volgende ochtend zetten ze hun weg voort om in debat te gaan met de kogels, terwijl ik blijf hangen tussen uitersten. Ik ben de getuige die te laat was, de martelaar die nooit is aangekomen. De doder en de gedode, de misdadiger en het slachtoffer. Ik, de rode Indiaan. Ik, de blauwe Indiaan. Ik, de groene Indiaan. Ik, de zwarte Palestijn, en deze oorlog waaraan een gedicht ontbreekt om te voorkomen dat de metafoor dood wordt geboren, om te voorkomen dat de dood zwaar wordt als een bronzen kachel die drukt op het verhaal. De dood kan mij geen vaderland geven en al zou hij het kunnen, dan wil ik het niet. Ieper was een nachtmerrie die honderd jaar geleden is geëindigd, Damascus is een nachtmerrie die zich nu voltrekt, en ik hang in Stockholm. De gedichten die ik in Damascus heb geschreven zijn geëxecuteerd door de soldaten, de gedichten die ik in Ieper heb geschreven, zijn niet met mij in het vliegtuig gestapt en de gedichten die zich met mij in Stockholm bevinden, lijden onder een ernstig gebrek aan vitamine D.


Ieper
De oorlog achter de deur.


Damascus
Om drie uur ’s nachts vallen raketten geladen met zenuwgas op een aantal plekken in de dichtbevolkte buitenwijken van Damascus. De pupillen van de ogen vernauwen zich, het zicht verwijdt zich, de lichamen van de kinderen schokken met regelmatige, heftige bewegingen. Dit is een aardbeving van een andere soort, waarin de huizen overeind blijven en het de lichamen zijn die trillen. Het is een morele schok die deze wereld treft.


Stockholm
De stad is rustig.




* Soera van de tafel: 6:101. Vertaling van Fred Leemhuis.


Translation: Djûke Poppinga

العاصمة - The Capital

árabe | Ghayath Almadhoun

ـ ما هي عاصمة الكونغو الديمقراطية؟

ـ أنتويرب.

 

 

في هذه المدينةِ التي تتغذّى على الألماس.

تنمو الأسلاكُ الشائكةُ في قصائدِ الشعراء.

تموتُ المواعيدُ في الرزنامة.

تتوقّفُ يديْ عن لمسِ شفتَيكِ.

يتوقّفُ رجالُ الشرطةِ عن الضحكِ.

تتوقّفُ سيّارةُ التكسي التي قُتل سائِقُها برصاصةِ قنّاصٍ في دمشقَ أمامَ المحطّةِ المركزيةِ في أنتويرب.

يتوقّفُ الإرهابُ في البلاي ستيشن.

وأنا أتأبّطُ نفسي، وأتوقّفُ عن التوقّفِ.

أفكّرُ في المسافةِ بين شفتَيَّ وجلدكِ.

كأنَّني لم أُولَدْ في مخيّم اليرموك للاجئين الفلسطينيين في دمشق عام ١٩٧٩.

كأنّكِ لم تُولدي في مجرّة دربِ التَّبَّانة.

 

 

 

في هذه المدينةِ التي يمسحونَ فيها الدَّمَ عن الألماسِ بنفسِ العنايةِ التي يَمسحُ بها الأطبّاءُ الدَّمَ عن جرحِ مُصابٍ، قاموا بإنقاذِ حياتِهِ.

أمرُّ خفيفًا، كما تَمُرُّ دبّابةٌ على الإسفلت.

حاملًا قصائدي مثلَ بائعٍ متجوّل.

كُلَمَا سِرْتُ في اتّجاهِ البحرِ أكلتْني الصحراءُ التي تَخرجُ من حقائبِ المهاجرين.

ومن جواز سفري الذي لم يعترفْ بهِ أحدٌ سواكِ.

أنا صاحبُ القصائدِ التي تتحدّثُ عن الموتِ، وكأنَّها تتحدّثُ عن الأمل.

وعن الحربِ، وكأنَّ الله موجود.

منذُ ماتَ أصدقائي أصبحتُ ذئبًا وحيدًا.

أحاصرُ الفرحَ في الزاوية، وأدوسهُ كحشرةٍ ضارة.

أصدقائي الذين قُتلوا تحتَ التعذيبِ يجلسونَ بجانبي بكامل أناقتهم، وكأنَّنا في حفلِ استقبال.

وأُمّي تتفقّدُني عبرَ الأسلاكِ.

لكي تتأكّدَ أنَّني لا أزال أبولُ على هذا الكوكبِ.

 

 

لقد نظَّفتُ غرفتي من أيِّ أثرٍ للموت.

كيلا تشعري حينَ أدعوكِ إلى كأسِ نبيذٍ.

أنَّنِي ورغم أنِّي في ستوكهولم.

لا أزالُ في دمشق.

 

 

في هذه المدينةِ التي تتغذّى على ألماسِ الدَّمِ.

أتذكّرُ عرسَ الدَّمِ.

أتذكّرُ النسيانَ.

أقفُ في منتصفِ صورةٍ جماعيةٍ بالأسودِ والأسودِ تجمعُ شعراءَ مرُّوا من هنا.

تُحيلني الهوامشُ التي تركتِها بجانبِ قصائدي إلى الحزنِ.

يتحوّلُ قلبي إلى فزَّاعةٍ خشبيةٍ لطردِ طيورِ هيتشكوك.

قلبي البريءُ الذي لا يحتمل.

يصبحُ قاسيًا كالكلماتِ الصريحةِ.

ويتحوّلُ الشارعُ إلى دفترٍ.

أنتِ الوحيدةُ التي باستطاعتها تحويلَ الشارعِ إلى دفترٍ.

تُمسكينَ ببراءةٍ يَدِيْ، لكي نقطعَ رأسَ السنةِ.

فينهارُ البنكُ الدوليّ.

وتقفُ الطبقةُ الوسطى ضدَّ المُهاجرين.

يقفُ رجلُ الأمنِ مُسلّحًا بالتاريخِ، ليرسمَ سدَّا بين الضواحي والفرح.

يقفُ لونُ البشرةِ مثلَ حاجزِ تفتيشٍ بيننا.

بين الميناء الذي يستوردُ الحُرّيّة

والشارعِ الممتدِّ من المقبرةِ إلى غرفةِ النومِ.

لمْ تُتعبْني الحربُ.

بل القصائدُ التي تتحدّثُ عن الحربِ.

لم تُتعبْني المُدُنُ الباردة.

لكنَّها أكلتْ أصابعي تلكَ القصائدُ التي تتحدّثُ عن المُدُنِ الباردة.

وأنا لا أستطيعُ الرقصَ دونَ أصابعي.

لا أستطيعُ أنْ أُشيرَ إلى الشرقِ دونها.

سكتةٌ قلبية تقتلُ ساعةَ الحائطِ.

وأصدقائي يشهدونَ زورًا بأنَّ الحياة رائعة.

هذه المدينةُ تنهارُ إلى الداخلِ، كأنَّها ثُقبٌ أسود.

أقصدُ ثقبًا أخضرَ.

والشارعُ يركضُ خائفًا.

إنَّها المرّةُ الأولى التي أَرى فيها شارعًا يركضُ في الشارع.

إنَّها المرّةُ الأخيرةُ التي أرى فيها بيتًا يتّكئُ على ضحكةِ المرأةِ الحزينةِ التي نسيتها في المطبخ، ليظلَّ واقفًا.

وعلى رائحةِ التوابلِ التي بعثرتْها القذيفةُ، ليظلَّ حيَّا.

الجيرانُ هربوا دونَ أنْ يُغلقوا النوافذَ المفتوحةَ على المجزرة.

دونَ أنْ يُغلقوا كتابَ فنِّ الطبخِ المفتوح على الصفحةِ رَقْم ٧٣.

عصافيرُ الشجرةِ المجاورةِ انتقلتْ إلى البيتِ.

سكنتْ في خزانةِ المطبخِ نصفِ المفتوحةِ.

ستقتُلها قذيفةُ هاون من عيار ١٢٠ ملم صُنعتْ في الاتّحاد السوڤييتي عام ١٩٨٧ لمحاربة الإمبريالية.

الكنارُ ماتَ من الجوعِ في القفص.

إنّها الحرب.

تموتُ الكناراتُ من الجوعِ في أقفاصها حين يختفي سَجَّانُها.

سَجَّانُها الذي خرجَ من البيتِ، ولم يَعُدْ.

البيتُ الذي انهارَ على قصائدِ الشعراءِ الذين خانتْهُم بلادُهُم.

بلادُهُم التي كانوا يبكونَ منها، وأصبحوا يبكونَ عليها.

ها هم يقرؤونَ حُزنَهم أمامَ الغرباء.

بقصائدهم يكسرونَ الوقتَ.

بأيديهم يقرعونَ الأجراسَ.

لكنْ، لا أحد لديه الوقت، ليسمعَ الصدى إلا بعضُ القتلى.

والنادلةُ في البارِ تفتحُ معي نقاشًا حول أحقّيّةِ السوريين في الموتِ بطريقةٍ لائقةٍ، حيثُ يكونُ الجسدُ كاملًا.

قطعةً واحدةً.

وعن الوحدةِ.

عن أحقّيّةِ أنْ يجدَ المرءُ شخصًا ينامُ بجانبهِ في المساء.

وأنْ يتركَهُ نائمًا حين يذهبُ إلى عملهِ في الصباح.

دونَ أنْ يَطلبَ منهُ الرحيلَ.

حسنًا.

لِنُنْزِلْ عن ظهرنا هذا الكيسَ المليءَ بالحجارةِ.

ونصرخ بصوتٍ خافتٍ عن طريقِ الكيبورد.

نحنُ الموقّعونَ فوقَ الإسفلتِ.

نُعلنُ أنَّنَا تعبنا.

وأنَّنَا بِغَضِّ النظرِ عن خلفيّاتنا التي أتينا منها.

فإنَّنَا نُعاني من نفسِ الخراء.

أنا أيضًا مثلكِ، أسكنُ وحيدًا في شقّةٍ بثلاثِ نوافذ.

اثنتانِ تُطلانِ على أنتويرب.

أما الثالثة، فهي شاشةُ كومبيوتري التي تُطلُّ على دمشق.

ـ هل زرتِ دمشق؟

ـ لا.

ـ حسنًا، سوفَ أحاولُ أن أصِفها لكِ، درجةُ الحرارةِ في الصيفِ ٣٧ مئوية، إنَّها المدينةُ التي تتطابقُ فيها درجةُ الحرارةِ في الصيفِ مع درجةِ حرارةِ جسمِ الإنسان.

ـ هل زرتِ أنتويرب؟

ـ لا.

ـ حسنًا، سوفَ أحاولُ أن أصِفها لكِ، إنَّها ألماسةُ دَمٍ تتلألأُ خلفَ الواجهاتِ المضاءَةِ بالأبيض، بريقُهَا يعكسُ ظلالَ رجلٍ أسودَ، وجدَهَا في كينشاسا، ثمّ وُجِدَ مقتولًا برصاصةِ صديقِهِ، من أجلِ أنْ ترتدي امرأةٌ من مونتريال خاتمًا، فيه حجرُ ألماسٍ مصقولٌ في تلّ أبيب، أهداهُ لها زوجُهَا المولودُ في بيونيس أيريس حين كانا في رحلةٍ إلى صحراءِ أريزونا، لكي تسامِحَهُ على خيانتهِ لها مع صديقتها الجنوبِ أفريقية حين كان يغسلُ أموالهُ في دبي.

ـ هل تعلمينَ ما هو وجهُ الاختلافِ والتشابهِ بين الصحراءِ وغسيلِ الأموال؟

ـ لا.

ـ الاختلافُ أنَّ الصحراءَ تحتاجُ إلى ماءٍ، أمَّا غسيلُ الأموالِ، فلا.

ـ والتشابه؟

ـ التشابهُ هو أنَّ غسيلَ الأموالِ هو غسيلٌ جافٌّ، جافٌّ كالصحراءِ التي في أريزونا.

 

 

حسنًا، لا مجالَ للإنكارِ أنَّنِي أسبحُ فيكِ، كما تسبحُ فراشةٌ داخل الماغما.

وأطعمُكِ كلماتي، لكي تكبري ببطءٍ، كما تكبرُ رقعةُ الدمارِ التي أحدَثَهَا ارتطامُ حزنكِ بأيَّامي.

لقد كانَ لوجودكِ في حياتي أثرٌ سلبيٌّ على شِعْرِ ما بعد الحداثةِ في النصفِ الشمالي من الكرةِ الأرضية.

ويجبُ أنْ أعترفَ لكِ أنَّ الكثيرَ من قصائدي قد انتهتْ مدّةُ صلاحيّتها، بسببِ الظهور المفاجئ لمجازاتكِ فيها.

وأنكِ ساهمتِ من خلالِ حملاتكِ الممنهجةِ لإضافةِ الهوامشِ إلى نصوصي في إحداثِ ثقبٍ في الخزَّانِ الذي يحفظونَ به اللغةَ العربية.

وأنكِ قمتِ بإحيائي مع سبقِ الإصرارِ والترصُّدِ.

وهذه جريمةٌ يُعاقِبُ عليها دستورُ الشعراء.

وأنَّ تفاصيلكِ المبعثرة في أرجاءِ منزلي تثيرُ شهوتي، لكي أرمي التلفزيونَ من النافذة.

وأجلسَ، لكي أشاهدَكِ أنتِ حين تقومينَ بقَتْلِ الوقتِ.

أعترفُ أيضًا أنَّ هناكَ الكثيرَ من الأشياءِ المريبةِ التي بدأتْ بالحدوثِ منذُ شممتُ رائحةَ نهديكِ.

على سبيلِ المثالِ:

كسرتُ العديدَ من كؤوسِ النبيذِ خلالَ الفترةِ التي انتقلتِ بها إلى منزلي.

أغلبُهَا انتحرتْ بالقفزِ من يَدِي خلالَ محاولتي غَسْلَهَا من بقايا أحمرِ شفاهِكِ.

سرقتُ بعض الوقتِ، لكي أجعلَ يومي ٢٥ ساعة.

زَوَّرْتُ ملامحي، لكي أبدُوَ سعيدًا.

أحببتُكِ.

قُلتُ في حوارٍ صحفيٍّ بعدَ أنْ التقيتُكِ إنَّنِي لم أكذبْ في حياتي سوى مرَّتَين.

وكانتْ تلكَ كذبتي الثالثة.

ورغمَ كلِّ التراجيديا السعيدة التي تمرُّ بها حياتي.

رفضتِ أنْ تُطلقي رصاصةَ الرحمةِ على رأسي حين رجوتُكِ أنْ تفعلي.

ومَنَحْتِنِي حياة جديدة.

 

 

تتّهمينَنِي بعدمِ الموضوعيةِ في قصائدي، حسنًا، لم أكنْ موضوعيًا طوالَ حياتي، لقد كنتُ دائمًا منحازًا، وأكيلُ بمكيالَين، كنتُ منحازًا للسودِ أمام العنصرية، للمقاومةِ أمام المحتلّين، للميليشياتِ أمام الجيوش، كنتُ منحازًا للهنودِ الحُمرِ أمام الرجالِ البيض، لليهودِ أمام النازيّين، للفلسطينيّين أمام الإسرائيليّين، للمهاجرين أمام النازيّين الجُدُد، للغجرِ أمام الحدود، للسّكّانِ الأصليّين أمام المستعمرين، للعِلْمِ أمام الدين، للحاضرِ أمام الماضي، للنسويةِ أمام البطريركية، للنساءِ أمام الرجال، لكِ أمَامَ النساء، لكافكا أمام الروتين، للشعرِ أمامَ الفيزياء...

...

...

...

 

 

الفيزياء.

لعنةُ اللهِ على الفيزياء.

لماذا يغرقُ المهاجرونَ، وبعدَ أنْ يلفظوا أنفاسَهُم الأخيرة يطفونَ فوقَ وجهِ الماءِ؟

لماذا لا يحدثُ العكسُ؟

لماذا لا يطفو الإنسانُ حين يكونُ حيَّا، ويغرقُ حين يموتُ؟

 

 

حسنًا.

فلنُسمِّ الأشياءَ بمسمّياتِها.

الكُتُبُ مقابرُ للقصائدِ.

البيوتُ خيامٌ إسمنتيةٌ.

الكلابُ ذئابٌ، ارتضتِ الذُّلَّ.

سجّادةُ الصلاةِ تذكّرُنِي ببساطِ الريح.

غرفتي وقعتْ بحبِّ حذائِكِ الأخضر.

أنا أغرقُ فيكِ، كما يغرقُ السوريّونَ في البحارِ.

يا إلهي.

انظري إلى أين أوصلتْنا الحرب.

حتّى في أسوأ كوابيسي، لم يخطر لي

أنَّنِي في يومٍ من الأيّامِ.

سأقولُ في قصيدةٍ:

أغرقُ فيكِ، كما يغرقُ السوريّونَ في البحار.

 

 

ــــ ــــ      ــــ

 

كلُّ قذيفةٍ تسقطُ على دمشقَ، إنَّمَا تُمَزِّق صفحةً من كتاب ديكارت.

 

 

حينَ وُلِدْنَا.

كانتِ الحياةُ ملوّنةً.

وكانتِ الصورُ بالأسودِ والأبيض.

اليوم أصبحتِ الصورُ ملوّنةً.

وأصبحتْ الحياةُ بالأسودِ والأبيض.

 

٢٠١٥




________________

كُتبتْ هذه القصيدة لصالح مشروع كتاب المدينة

"سيتي بوك" أنتويرب الذي يقام بالتعاون مع البيت
الفلامنكي الهولندي "ديبورين" الجيران. 

© Ghayath Almadhoun
citybooks,
Audio production: citybooks / Vlaams-Nederlands Huis deBuren (Brussel)

De hoofdstad

holandês

‘Wat is de hoofdstad van Congo-Kinshasa?’
‘Antwerpen.’


In deze stad die zich voedt met diamanten,
groeit het prikkeldraad in de poëzie van de dichters,
sterven de afspraken op de kalender,
stopt mijn hand met het beroeren van je lippen,
stoppen de politieagenten met lachen,
stopt de taxi, waarvan de chauffeur in Damascus door de kogel van een scherpschutter is gedood, voor het centraal station van Antwerpen,
stopt de terreur in de playstation.
Ik neem mezelf onder de arm en stop met stoppen.
Ik denk na over de afstand tussen mijn lippen en jouw huid.
Alsof ik niet in 1979 ben geboren in het Yarmouk-kamp voor Palestijnse vluchtelingen.
Alsof jij niet bent geboren in het Melkwegstelsel.


In deze stad, waarin ze het bloed van de diamanten vegen met dezelfde zorg als waarmee artsen het bloed vegen van de wonden van de getroffenen van wie ze het leven hebben gered,
passeer ik met lichte tred, net zo licht als een tank die over het asfalt rolt,
en draag ik als een straatventer mijn gedichten met me mee.
Steeds wanneer ik in de richting van de zee loop, eet de woestijn me op,
de woestijn die opstijgt uit de koffers van de migranten,
en uit mijn paspoort, dat nog nooit door iemand is erkend, behalve door jou.
Ik ben de eigenaar van de gedichten die vertellen over de dood alsof ze vertellen over de hoop.
En de oorlog, alsof God bestaat.
Sinds mijn vrienden zijn gestorven, ben ik een eenzame wolf geworden.
Ik drijf de vreugde in een hoek en vertrap haar als een schadelijk insect.
Mijn doodgemartelde vrienden, zitten naast me in hun mooiste kleren, alsof we een welkomstfeest bijwonen.
Mijn moeder zoekt me achter het prikkeldraad
om zich ervan te vergewissen dat ik nog steeds mijn plas doe op deze planeet.


Ik heb mijn kamer gereinigd van elk spoor van de dood
zodat jij, als ik je uitnodig voor een glas wijn,
niet het gevoel hebt dat ik, ook al ben ik in Stockholm,
nog steeds in Damascus woon.


In deze stad, die zich voedt met bloeddiamanten
herinner ik me de bloedbruiloft
herinner ik me het vergeten
Ik sta midden op een zwart-zwarte groepsfoto met dichters die hier zijn langsgekomen.
De voetnoten die jij naast mijn gedichten hebt achtergelaten, geven me over aan het verdriet.
Mijn hart verandert in een houten vogelverschrikker, om de vogels van Hitchcock te verjagen.
Mijn onschuldige hart, dat het niet verdraagt
wordt net zo wreed als oprechte woorden
en de straat verandert in een schrift.


Jij bent de enige die in staat is de straat in een schrift te veranderen.
Onschuldig pak je mijn hand vast, zodat we samen de kop van het nieuwe jaar kunnen afhakken.
En dan stort de Wereldbank in,
komt de middenklasse in opstand tegen de migranten,
staat de veiligheidsman, gewapend met de geschiedenis, op om een dam te tekenen tussen de buitenwijken en blijdschap.
De huidskleur staat tussen ons in als een controlepost
tussen de haven die de vrijheid importeert
en de straat die loopt van de begraafplaats naar de slaapkamer.
Niet de oorlog heeft me uitgeput,
maar de gedichten die over de oorlog vertellen.
Niet de koude steden hebben me uitgeput,
maar de gedichten die vertellen van koude steden, hebben mijn vingers opgegeten.
En ik kan niet dansen zonder mijn vingers.
Zonder mijn vingers kan ik niet naar het oosten wijzen.
Een hartstilstand doodt de wandklok.
Mijn vrienden leggen valse getuigenissen af: dat het leven fantastisch is.
Deze stad implodeert, als een zwart gat.
Ik bedoel een groen gat.
En de straat rent angstig weg.
Dit is de eerste keer dat ik een straat door de straat zie rennen.
Het is de laatste keer dat ik zie dat een huis steunt op de lach van de trieste vrouw die ik in de keuken heb achtergelaten, in de hoop overeind te blijven
en op de geur van de kruiden die de granaat heeft verspreid, in de hoop in leven te blijven.
De buren zijn gevlucht zonder de geopende ramen met uitzicht op de slachting te sluiten,
zonder het kookboek te sluiten dat was opengeslagen op pagina 73.
De vogels van de naburige boom hebben zich naar het huis verplaatst
en zich genesteld in de half geopende keukenkast.
Ze zullen worden gedood door een mortiergranaat met een kaliber van 120 millimeter, gemaakt in de Sovjet Unie, in het jaar 1987, voor de strijd tegen het imperialisme.
De kanarie is in zijn kooi omgekomen van de honger.
Dat is de oorlog.
Kanaries komen om van de honger in hun kooien, wanneer hun cipier is verdwenen.
Hun cipier, die het huis heeft verlaten en niet meer is teruggekeerd.
Het huis, dat is ingestort op de poëzie van de dichters die zijn verraden door hun land.
Hun land, dat hen vroeger tot tranen roerde en dat ze inmiddels bewenen.
En zie, nu declameren ze hun verdriet ten overstaan van vreemden.
Met hun gedichten breken ze de tijd.
Met hun handen luiden ze de klokken.
Maar niemand heeft tijd om de echo te horen, behalve een paar gevallenen.
De serveerster in de bar begint een discussie met me over het recht van de Syriërs op een fatsoenlijke dood,
waarbij het lichaam intact blijft,
in één stuk.
En over de eenzaamheid.
En over het recht dat een mens heeft om iemand te vinden naast wie hij ’s avonds kan slapen,
en het recht om die ander te laten liggen als hij ’s ochtends naar zijn werk gaat
zonder van hem te eisen dat hij vertrekt.
Goed.
Laten we deze zak vol stenen van onze rug halen
en door middel van het keyboard schreeuwen met zachte stem.
Wij, de gevallenen op het asfalt,
verklaren dat we moe zijn
en dat we onze blik afwenden van onze achtergronden.
We zitten immers in dezelfde shit.
Ook ik woon, net als jij, alleen, in een flat met drie vensters
waarvan er twee uitkijken op Antwerpen
Het derde is het scherm van mijn computer, dat uitkijkt op Damascus.
‘Ben je weleens in Damascus geweest?’
‘Nee.’
‘Goed, dan zal ik proberen het voor je te beschrijven. In de zomer is de temperatuur 37 graden. Damascus is een stad waarin de temperatuur in de zomer overeenkomt met de lichaamstemperatuur van de mens.’
‘Ben je weleens in Antwerpen geweest?’
‘Nee.’
‘Goed, dan zal ik proberen het voor je te beschrijven. Antwerpen is een bloeddiamant, die schittert achter de wit verlichte etalages en wiens glans de schaduwen weerspiegelt van een zwarte man die hem in Kinshasa heeft gevonden, waarna de man zelf is aangetroffen met een kogel in zijn lijf, afgeschoten door zijn vriend, opdat een vrouw uit Montreal een ring zou dragen met een diamanten steen, geslepen in Tel Aviv, gekregen van haar man die was geboren in Buenos Aires, toen ze samen op reis waren naar de woestijn van Arizona, in de hoop dat ze hem zou vergeven dat hij haar had bedrogen met haar Zuid-Afrikaanse vriendin, toen hij in Dubai was om zijn geld wit te wassen.
‘Ken je het verschil en de overeenkomst tussen de woestijn en het witwassen van geld?’
‘Nee.’
‘Het verschil is dat de woestijn water nodig heeft en het witwassen van geld niet.’
‘En de overeenkomst?’
‘De overeenkomst is dat het witwassen van geld een droge manier van wassen is, net zo droog als de woestijn in Arizona.’


Goed, je kunt onmogelijk ontkennen dat ik in je ronddrijf als een vlinder in de magma.
Ik voed je met mijn woorden, zodat je langzaam groeit, zoals het hoopje puin, veroorzaakt door de botsing van jouw verdriet met mijn dagen.
Jouw aanwezigheid in mijn leven had een negatieve invloed op de poëzie van het postmodernisme op het noordelijk halfrond.
Ik moet je bekennen dat de houdbaarheid van veel van mijn gedichten is verlopen, vanwege de onverwachte verschijning van jouw metaforen.
Ik moet je ook bekennen dat er mede door jouw systematische campagnes om voetnoten toe te voegen aan mijn teksten,
een gat is geslagen in het reservoir waarin de Arabische taal wordt bewaard.
En dat je me met voorbedachten rade inspiratie hebt gegeven
– volgens de wet van de dichters is dat een misdaad –
En dat jouw details, verstrooid in de hoeken van mijn woning, me ertoe aanzetten om mijn televisie uit het raam te gooien
en te gaan zitten om jou te observeren als je bezig bent de tijd te doden.
Ook moet ik bekennen dat er veel verdachte dingen zijn, die gebeuren sinds ik de geur van je borsten heb geroken.
Bijvoorbeeld:
Ik heb een aantal wijnglazen gebroken in de periode waarin ik naar mijn woning ben verhuisd.
De meeste hebben zelfmoord gepleegd door uit mijn handen te springen toen ik probeerde de resten van je lippenstift eraf te wassen.
Ik heb wat tijd gestolen, zodat ik mijn dag kon verlengen tot vijfentwintig uur.
Ik heb mijn gelaatstrekken vervalst om er gelukkig uit te zien.
Ik ben van je gaan houden.
Nadat ik je had ontmoet, heb ik in een interview gezegd dat ik maar twee keer in mijn leven heb gelogen.
Dat was mijn derde leugen.
Ondanks al het tragische geluk dat mijn leven moet doormaken,
heb jij geweigerd het genadeschot in de richting van mijn hoofd te lossen toen ik je smeekte dat te doen,
en heb je me een nieuw leven gegeven.
Je beschuldigt me van gebrek aan objectiviteit in mijn gedichten.
Goed, ik ben in mijn leven nooit objectief geweest, ik ben altijd vooringenomen geweest en ik heb altijd met twee maten gemeten, ik prefereerde de zwarten boven het racisme, het verzet boven de bezetters, de milities boven het leger, de Indianen boven de bleekgezichten, de joden boven de nazi’s, de Palestijnen boven de Israëliërs, de migranten boven de neonazi’s, de zigeuners boven de grenzen, de oorspronkelijke bewoners boven de kolonisten, de kennis boven de godsdienst, het heden boven het verleden, het feminisme boven het patriarchaat, de vrouwen boven de mannen, jou boven alle vrouwen, Kafka boven de routine, de poëzie boven de fysica.
De fysica.
God vervloekte de fysica.
Waarom verdrinken de migranten en drijven ze, nadat ze hun laatste adem hebben uitgeblazen, op het water?
Waarom gebeurt niet het omgekeerde?
Waarom is het niet zo dat mensen blijven drijven als ze levend zijn en verdrinken wanneer ze dood zijn?


Goed.
Laten we dingen bij hun naam noemen.
Boeken zijn graven voor de gedichten.
Huizen zijn betonnen tenten.
Honden zijn wolven die genoegen hebben genomen met de vernedering.
Bidkleedjes doen me denken aan vliegende tapijten.
Mijn kamer is verliefd geworden op je groene schoenen.
Ik verdrink in jou, zoals de Syriërs verdrinken in de zee.
Mijn God.
Zie waar de oorlog ons heeft gebracht.
Zelfs in mijn gruwelijkste nachtmerries zou het niet in me zijn opgekomen
dat ik op een dag
in een gedicht zou zeggen:
Ik verdrink in jou, zoals de Syriërs verdrinken in de zee.

****

Elke granaat die op Damascus valt, scheurt een bladzijde uit een boek van Descartes.
Toen we geboren werden
was het leven gekleurd
en de foto’s waren zwart-wit.
Tegenwoordig zijn de foto’s in kleur
en is het leven zwart-wit geworden.

Uit het Arabisch vertaald door Djûke Poppinga

التفاصيل - The Details

árabe | Ghayath Almadhoun

أتعرفُ لمَ يموتُ الناسُ حين تثقبهم رصاصة؟
لأن 70% من جسمِ الإنسانِ يتكوَّنُ من الماء
تماماً كما لو أنَّكَ تُحدثُ ثقباً في خزان ماء.

أكانَ اشتباكاً اعتباطياً يرقصُ في رأسِ الحارةِ حين مَرَرْتُ؟
أم أنَّ قناصاً كان يترصَّدُني ويعدُّ خطواتي الأخيرة؟

هل كانتْ رصاصةً طائشةً؟
أم أنَّني الذي كنتُ طائشاً بالرغمِ من بلوغهِ ثلثَ قرنٍ من العمرِ؟

أهي نيرانٌ صديقةٌ؟
كيف؟
وأنا لم أصادقْ نيراناً من قبل.

أترى أنا من مرَّ في طريقِ الرصاصةِ فأصابَها؟
أم مرتْ هي في طريقي فأصابتني؟
ثم كيف لي أنْ أعرفَ مواعيدَ مرورها وأية طريقٍ ستجتاز؟

هل التقاطعُ مع رصاصةٍ يعتبرُ حادثَ اصطدامٍ بالمعنى التقليدي؟
كالذي يحدثُ بين سيارتين؟
وهل جسدي وعظامي الصلبةُ ستحطمُ ضلوعها أيضاً؟
وتتسببُ في وفاتها؟
أم أنها ستنجو؟

هل حاولتْ أن تتفاداني؟
هل كان جسدي طرياً؟
وهل شعرتْ تلكَ الصغيرةُ مثل حبةِ توتٍ بأنوثتها في ذكورتي؟

القناصُ صوَّبَ نحوي بدون أنْ يكلِّفَ نفسه عناءَ معرفةِ أنَّ لديَّ حساسيَّةً من رصاصِ القناصةِ، وهي حساسيةٌ من الدرجةِ الأولى، وقد تؤدِّي للوفاة.

القناصُ لم يستأذنِّي قبلَ أنْ يُطلق، وفي هذا قلةُ أدبٍ واضحةٌ أصبحتْ خطأً شائعاً في هذه الأيام.

‪ــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــــ‬

كنتُ أبحثُ عن الفرقِ بين الثورةِ والحربِ عندما عبرتْ رصاصةٌ جسدي، فانطفأتْ شُعلةٌ أوقدتها معلمةُ مدرسةٍ ابتدائيةٍ من سوريا بالاشتراكِ مع لاجئٍ فلسطينيٍ دَفَعَ أرضَهُ حلاً لمعاداةِ السَّامية في أوروبا وهُجِّرَ إلى حيثُ التقى امرأةً تشبهُ الذكريات.

لقد كان شعوراً رائعاً، يشبهُ أكلَ قطعةِ مثلجاتٍ في الشتاء، أو ممارسةَ الجنسِ دون واقٍ مع امرأةٍ غريبةٍ في مدينةٍ غريبةٍ تحتَ تأثيرِ الكوكايين، أو...

يقولُ لي عابرٌ نصفَ ما يرغبُ في قولهِ فأصدِّقهُ ثم نطعنُ بعضنا كعاشقين، تومئُ لي سيدةٌ أنْ أتبَعَهَا فأفعلُ وننجبُ طفلاً يشبهُ الخيانةَ، يقتلني قناصٌ فأموتُ، السماءُ تسقطُ على المارةِ فيهربُ السياحُ، السماءُ تسقطُ على المارةِ ولا يهربُ قلبي، السماءُ تسقطُ إلى الأعلى فينتحرُ شاعرٌ في غرفته انتحاراً جماعياً رغم أنَّهُ كان وحيداً ذلك المساء.

في ذلك المساء، داهمني النسيانُ على غفلةٍ فاشتريتُ ذاكرةَ جنديٍ لم يعدْ من الحربِ، وحين انتبهتُ إلى خللِ الوقتِ لم أستطعْ أنْ أجدَ منفىً يليقُ بجرحي لذلك قررتُ ألَّا أموتَ ثانيةً.

المدينةُ أقدمُ من الذكرياتِ، اللعنةُ مسورةٌ بالاكتئابِ، الوقتُ متأخرٌ عن مواعيدهِ، الأسوارُ تحيطُ الزمنَ بالرتابةِ، الموتُ يشبهُ وجهي، الشاعرُ يتكئُ على امرأةٍ في قصيدتهِ، الجنرالُ يتزوجُ زوجتي، المدينةُ تتقيأُ تاريخها وأنا أبتلعُ الشوارعَ ويبتلعُني الزحام، أنا الذي أوزعُ دَمِي على الغرباء، وأتقاسمُ زجاجة النبيذِ مع وحدتي، أرجوكم، أرسلوا جثتي بالبريد السريع، وزعوا أصابعي بالتساوي على أصدقائي.

هذه المدينةُ أكبرُ من قلبِ شاعرٍ وأصغرُ من قصيدته، لكنَّها كافيةٌ لينتحرَ الموتى دون أنْ يزعجوا أحداً، ولتزهرَ إشاراتُ المرورِ في الضواحي، ليصبحَ الشرطيُّ جزءاً من الحلِّ والشوارعُ مجرَّدَ خلفيةٍ للحقيقة.

في ذلك المساء، حين تعثَّرَ قلبي، أمسكتني دمشقيةٌ وعلَّمتني أبجديةَ شهوتها، كنتُ ضائعاً بين الله الذي زرعَهُ الشيخُ في قلبي وبين الله الذي لمستهُ في فِراشها، ذلك المساء،
أمي وحدَها من عرفتْ أنَّني لن أعود،
أمي وحدها من عرفتْ،
أمي وحدها،
أمي.

لقد بعتُ أيامي البيضاءَ في السوقِ السوداءَ، واشتريتُ منزلاً يطلُّ على الحرب، لقد كانتِ الإطلالةُ رائعةً لدرجةِ أنَّني لم أقاومْ إغراءَها، فانحرفتْ قصيدتي عن تعاليمِ الشيخ، واتَّهمني أصدقائي بالعُزلة، وضعتُ كُحلاً على عيني فازدادتْ عروبتي، وشربتُ حليبَ الناقةِ في الحُلمِ فصحوتُ شاعراً، كنتُ أراقبُ الحربَ كما يراقبُ المصابون بالجُذامِ عيونَ الناس، ولقد توصَّلتُ إلى حقائقَ مرعبةٍ عن الشِّعرِ والرجلِ الأبيض، عن موسمِ الهجرة إلى أوروبا، وعن المدنِ التي تستقبلُ السيَّاحَ في أيَّامِ السِلْم والمجاهدين في أيَّامِ الحرب، عن النساء اللواتي يُعَانين الأمرَّين في أيَّامِ السِلْم ويُصبحن وقوداً للحربِ في أيَّامِ الحرب.

في مدينةٍ أُعيدَ إعمارها مثل برلين، يكمنُ السِّرُّ الذي يعرفهُ الجميع، وهو أنَّ الـ…
لا، لنْ أكرِّرَ ما هو معروفٌ، لكنَّني سأُخبركم بما لا تعرفون: ليستْ مشكلةُ الحربِ في من يموتون، مشكلتها في من يبقونَ أحياءَ بعدها.

لقد كانتْ أجملَ حربٍ خُضتها في حياتي، مليئةً بالمجازاتِ والصورِ الشعرية، أتذكَّرُ كيف أنَّني كنتُ أتعرَّقُ أدريناليناً، وأبولُ دخاناً أسودَ، كيفَ كُنتُ آكلُ لحمي وأشربُ صراخاً، كان الموتُ بجسدهِ الهزيلِ يتكئُ على ما اقترفتْ قصيدتهُ من خرابٍ، ويمسحُ سِكِّينهُ من مِلْحي، وكانتِ المدينةُ تفرُكُ حذائي بمسائِها فيبتسمُ الطريقُ، وتعدُّ أصابعَ حزني وتُسقطُها في الطريق إليها، الموتُ يبكي والمدينةُ تتذكَّرُ ملامحَ قاتِلها وتُرسلُ لي طعنةً عن طريق البريدِ، تهدِّدُني بالفرحِ، وتنشرُ قلبي على حبلِ غسيلها الممدودِ بين ذاكرتين، وأنا يشدُّني النسيانُ إليَّ، عميقاً إليَّ، عميقاً، فتسقطُ لُغتي على الصباحِ، تسقطُ الشرفاتُ على الأغاني، المناديلُ على القُبُلاتِ، الشوارعُ الخلفيةُ على أجسادِ النساءِ، تفاصيلُ الأزقةِ على التاريخِ، تسقطُ المدينةُ على المقابرِ، الأحلامُ على السجونِ، الفقراءُ على الفرح، وأنا أسقطُ على الذكرى.

حين أصبحتُ عضواً في اتحادِ القتلى، تحسَّنتْ أحلامي، وأصبحتُ أمارسُ التثاؤبَ بحرية، ورغمَ طبولِ الحربِ التي تُغنِّي قُربَ جسدي المنتفخ، إلا أنَّني وجدتُ متَّسعاً من الوقتِ كي أصادقَ كلباً مشرداً، اختارَ ألَّا يأكل من جثتي رغم جوعهِ، واكتفى بالنومِ قُربَ قدمَيّ.

حاولَ عدةُ أشخاصٍ انتشالي، إلَّا أنَّ القنَّاصَ ناقَشَهُم ببندقيتهِ فغيَّروا رأيهم، لقد كانَ قنَّاصاً شريفاً، يعملُ بأمانة، ولا يضيعُ وقتاً وأُناساً.

ذلك الثقبُ الصغير
المتبقي بعد مرورِ الرصاصة
أفرَغَ محتوياتي
لقد كانَ كلُّ شيءٍ يتسرَّبُ بهدوء
الذكرياتُ
أسماء الأصدقاءِ
فيتامين C
أغاني الأعراس
القاموسُ العربي
درجةُ حرارةِ 37
حمضُ البول
قصائدُ أبي نواس
ودَمِي.

في اللحظةِ التي تبدأُ فيها الرُّوحُ بالهروبِ من البوابةِ الصغيرةِ التي فتحتها الرصاصة، تصبحُ الأشياءُ أكثرَ وضوحاً، النظريةُ النسبيةُ تتحولُ إلى أمرٍ بديهي، معادلاتُ الرياضياتِ التي كانتْ مُبهمةً تغدو أمراً يسيراً، أسماءُ زملاء الدراسةِ الذين نسينا أسماءَهم تعودُ إلى الذاكرة، الحياةُ بكاملِ تفاصيلها تُضيءُ فجأةً، غرفةُ الطفولة، حليبُ الأمِّ، الرعشةُ الأولى، شوارعُ المخيم، صورةُ ياسر عرفات، رائحةُ القهوةِ مع الهيل في ثنايا المنزل، صوتُ أذان الصبح، مارادونا في المكسيكِ عام 1986، وأنتِ.

تماماً، كما لو أنَّكَ تأكلُ أصابعَ حبيبتكَ، تماماً كما لو أنَّكَ ترضعُ سلكَ الكهرباء، كما لو أنَّكَ تأخذُ لُقاحاً ضدَّ الشظايا، كما لو أنَّكَ لِصُّ ذكرياتٍ، تعال لِنُمسك عن الشِّعر، ونستبدل أغنياتِ الصيفِ بِشَاشٍ طبيٍ، وقصائدَ الحصادِ بخيطانِ العمليَّاتِ الجراحية، اتركْ مطبخكَ وغرفة الأطفال واتبعني لنشربَ الشاي خلفَ أكياسِ الرمل، إنَّ المجزرةَ تتَّسعُ للجميع، ضعْ أحلامكَ في السقيفةِ واسْقِ نباتاتِ الشُّرفةِ جيداً، فقد يَطُولُ النقاشُ مع الحديد، اتركْ خلفكَ جلال الدين الرومي وابن رشد وهيغل، واجلبْ معكَ ميكافيللي وهنتنجتون وفوكوياما، فنحن نحتاجهم الآن، اتركْ ضحكاتك وقميصكَ الأزرق وسريركَ الدافئ، وهاتِ أظافركَ وأنيابكَ وسكينَ الصَّيدِ وتعال.

ارمِ عصرَ النَّهضةِ واجلبْ محاكمَ التفتيش
ارمِ حضارةَ أوروبا واجلبْ ليلةَ الكريستال
ارمِ الاشتراكيةَ واجلبْ جوزيف ستالين
ارمِ قصائدَ رامبو واجلبْ تجارةَ الرقيق
ارمِ ميشيل فوكو واجلبْ فايروس الإيدز
ارمِ فلسفةَ هايدغر واجلبْ نقاءَ العرق الآري
ارمِ شمسَ هيمنجواي التي لا تزالُ تُشرقُ واجلبْ رصاصةً في الرأس
ارمِ ليلةَ فان غوخ المضيئةَ بالنجومِ واجلبْ أذنه المقطوعة
ارمِ غورنيكا بيكاسو واجلبْ غورنيكا الحقيقيةَ برائحةِ دَمِها الطازج
نحنُ نحتاجُ هذه الأشياء الآن، نحتاجُها كي نبدأَ الاحتفال.

© Ghayat Almadhoun
Audio production: Ghayat Almadhoun, 2014

Details

holandês

Weet je waarom we sterven als we door een kogel worden doorboord? Omdat 70% van het menselijk lichaam uit water bestaat
Precies alsof je een gat in een watertank zou slaan.


Was het een opstootje dat danste bij de ingang van de steeg, toen ik langsliep?
Of was het een sluipschutter die me observeerde en mijn laatste voetstappen telde?


Was het een verdwaalde kogel
of was ík verdwaald, ook al was ik al een derde eeuw oud?


Is dat vriendschappelijk vuur?
Hoe kan dat
als ik nooit vriendschap heb gesloten met vuur?


Was ik degene die de kogel in de weg liep en hem raakte?
Of was het de kogel die mij raakte?
Hoe moet ik nu weten op welke tijden hij langskomt en welke richting hij zal inslaan?


Wordt de confrontatie met een kogel gezien als een botsing in de gebruikelijke zin van het woord?
als tussen twee auto’s?
Zullen mijn lichaam en mijn harde botten ook zijn ribben breken en zijn dood veroorzaken?
Of zal hij aan de dood ontsnappen?


Heeft de kogel geprobeerd me te ontwijken?
Was mijn lichaam zacht?
Was dat bolletje, klein als een moerbei, zich bewust van haar vrouwelijkheid in mijn mannelijkheid?

De sluipschutter richtte op mij, zonder de moeite
te nemen te achterhalen of ik allergisch was voor sluipschutterskogels Een allergie van de beste kwaliteit
die de dood tot gevolg kan hebben.

De sluipschutter vroeg me geen toestemming toen hij vuurde, een duidelijk gebrek aan wellevendheid, dat inmiddels een veelvoorkomend verschijnsel is geworden.

_____________________________

Ik was op zoek naar het verschil tussen revolutie en oorlog, toen een kogel zich een weg door mijn lichaam baande, toen er een fakkel uitdoofde die was ontstoken door een lerares van een lagere school in Syrië, in samenwerking met een Palestijnse vluchteling die met zijn land had betaald voor de oplossing van het antisemitisme in Europa, en was gedwongen te emigreren naar een plaats waar hij een vrouw ontmoette die leek op herinneringen.


Het was een fantastisch gevoel, zoals het eten van een ijsje in de winter, of het bedrijven van onveilige liefde met een vreemde vrouw in een vreemde stad onder invloed van cocaïne, of…


Een voorbijganger zegt de helft van wat hij tegen me wil zeggen, dus ik geloof hem. Daarna doordringen we elkaar als geliefden. Een vrouw wenkt me dat ik haar moet volgen, dat doe ik en we brengen een kind voort dat lijkt op bedrog. Een sluipschutter doodt me, dus ga ik dood, de hemel valt op de voetgangers, dus vluchten de toeristen, de hemel valt op de voetgangers en mijn hart vlucht niet, de hemel valt omhoog, dus pleegt een dichter collectieve zelfmoord in zijn kamer, ook al was hij die avond alleen.


Die avond werd ik overvallen door vergeetachtigheid, dus kocht ik het geheugen van een soldaat die niet uit de oorlog was teruggekeerd, en toen ik de breuk in de tijd ontwaarde, kon ik geen toevluchtsoord vinden dat bij mijn wond paste. Daarom heb ik besloten niet opnieuw te sterven.


De stad is ouder dan de herinneringen, de vloek is ommuurd door melancholie, de tijd komt te laat op zijn afspraken, muren omheinen de tijd met monotonie, de dood lijkt op mijn gezicht, de dichter leunt in zijn gedicht op een vrouw, de generaal trouwt met mijn vrouw, de stad kotst haar geschiedenis uit, terwijl ik de straten opslok en de menigte mij opslokt. Ik, die mijn bloed uitdeel aan vreemdelingen en een fles wijn deel met mijn eenzaamheid, ik smeek jullie: stuur mijn lijk per expres naar mijn vrienden en verdeel mijn vingers eerlijk onder hen.


Deze stad is groter dan het hart van een dichter en kleiner dan zijn gedicht, maar ze is groot genoeg voor de doden om zelfmoord te plegen zonder iemand te storen, voor de voetgangerslichten om op te bloeien in de buitenwijken, voor de politieagent om een deel van de oplossing te worden, en voor de straten om niet meer dan een achtergrond van de waarheid te zijn.


Die avond, toen mijn hart struikelde, werd ik vastgepakt door een Damasceense die me het alfabet van haar lust leerde. Ik was verdwaald tussen de God die door de sjeik in mijn hart was geplant en de God die ik aanraakte in haar bed, die avond.
Mijn moeder was de enige die wist dat ik niet zou terugkomen,
Mijn moeder was de enige die het wist,
Mijn moeder was de enige,
Mijn moeder.


Ik had mijn witte dagen verkocht op de zwarte markt en kocht een huis dat uitkeek op de oorlog. Het uitzicht was onweerstaanbaar mooi. En zo dwaalde mijn gedicht af van de leerstellingen van de sjeik en verweten mijn vrienden me dat ik me van hen terugtrok. Ik deed kohl op mijn ogen en werd meer Arabier, ik dronk kamelenmelk in een droom en werd wakker als een dichter, ik keek naar de oorlog zoals lepralijders naar de ogen van mensen kijken, en uiteindelijk kwam ik tot angstaanjagende waarheden over poëzie en witte mannen, over het seizoen van de trek naar Europa, over steden die toeristen ontvangen in tijden van vrede en moedjahedien in tijden van oorlog, over vrouwen die in tijden van vrede te veel lijden en in tijden van oorlog brandstof voor de strijd worden.


In een stad van wederopbouw, zoals Berlijn, ligt een geheim verborgen dat iedereen kent, en dat is dat de…
Nee, ik ga niet herhalen wat bekend is, maar ik zal jullie iets vertellen wat jullie niet weten:
Het probleem van de oorlog zit hem niet in wie sterven, maar in wie na afloop nog in leven zijn.


Het was de mooiste oorlog van mijn leven, vol metaforen en poëtische beelden. Ik herinner me hoe ik adrenaline zweette en zwarte rook piste, hoe ik mijn eigen vlees at en kreten dronk. De dood leunde met zijn magere lichaam op de vernielingen die zijn gedicht had aangericht en veegde zijn mes schoon aan mijn zout. De stad poetste mijn schoenen met haar avond en de straat glimlachte. Ze telde de vingers van mijn verdriet en liet ze onderweg los. De dood huilt, de stad herinnert zich het gezicht van haar moordenaar en stuurt me een vuistslag per post. Ze bedreigt me met vreugde en hangt mijn hart op aan haar waslijn, gespannen tussen twee herinneringen, en de vergetelheid trekt me naar mezelf, diep naar mezelf, zo diep dat mijn taal neervalt op de ochtend, dat de balkons neervallen op de liederen, de hoofddoeken op de kussen, de achterstraatjes op de vrouwenlichamen, de details van de steegjes op de geschiedenis, zo diep dat de stad neervalt op de begraafplaatsen, de dromen op de gevangenissen, de armen op de blijdschap, zo diep dat ik neerval op de herinnering.


Toen ik lid werd van de Vereniging van Doden, werden mijn dromen beter en begon ik het vrije gapen te beoefenen. En ondanks de krijgstrommels, die zongen naast mijn opgezwollen lichaam, had ik voldoende tijd om vriendschap te sluiten met een zwerfhond die ondanks zijn honger besloot niet van mijn lijk te eten en slechts aan mijn voeten ging liggen.


Een aantal mensen probeerde me weg te trekken, maar de sluipschutter protesteerde met zijn geweer, waarna ze zich bedachten. Hij was een gewetensvolle sluipschutter, die eerlijk zijn werk deed en tijd noch mensen verkwistte.


Dat kleine gat
dat achterblijft nadat de kogel is gepasseerd,
heeft mijn inhoud geleegd,
alles was kalm naar buiten gegleden,
herinneringen,
namen van vrienden,
vitamine C,
de bruiloftsliederen,
het Arabische woordenboek,
de temperatuur van 37 graden,
urinezuur,
de gedichten van Aboe Noewaas,
en mijn bloed.


Op het moment waarop de ziel aanstalten maakt om te vluchten door de kleine poort die de kogel heeft geopend, worden de dingen duidelijker, De relativiteitstheorie wordt iets vanzelfsprekends, wiskundige vergelijkingen die ooit ondoorgrondelijk waren, worden eenvoudig, de namen van studievrienden die we zijn vergeten, komen terug in onze herinnering, het leven wordt plotseling verlicht met al zijn bijzonderheden, de kinderkamer, de moedermelk, de eerste huivering, de straten van het kamp, het portret van Yasser Arafat, de geur van koffie met kardemom in de plooien van het huis, het geluid van de oproep tot het ochtendgebed, Maradona in Mexico in het jaar 1986, en jij…


Precies alsof je de vingers van je geliefde zou eten, precies alsof je op een elektriciteitsdraad zou zuigen, of een serum tegen granaatscherven zou nemen, precies alsof je een dief van herinneringen zou zijn. Kom, laten we ophouden met dichten, laten we de zomerversjes ruilen voor verbandgaas en de oogstliedjes voor operatiegaren. Verlaat je keuken en de kinderkamer en volg me, dan gaan we theedrinken achter de zandzakken. De slachting heeft plaats voor iedereen. Leg je dromen in de schuur en geef de planten op het balkon veel water, want het gesprek met het ijzer kan lang duren. Laat Djalaal ad-Dien Roemi, Ibn Roesjd en Hegel achter en neem Machiavelli, Huntington en Fukuyama mee, want die hebben we nu nodig. Laat je lach, je blauwe hemd en je warme bed achter en geef me je nagels, je tanden en je jachtmes, en kom mee.


Gooi de Renaissance weg en neem de inquisitie mee,
Gooi de Europese beschaving weg en neem de Kristalnacht mee,
Gooi het socialisme weg en neem Josef Stalin mee,
Gooi de gedichten van Rimbaud weg en neem de slavenhandel mee,
Gooi Michel Foucault weg en neem het aidsvirus mee,
Gooi de filosofie van Heidegger weg en neem de zuiverheid van het Arische ras mee,
Gooi de zon van Hemingway die nog steeds opgaat weg en neem een kogel mee in je hoofd,
Gooi Van Goghs Sterrennacht weg en neem zijn afgesneden oor mee,
Gooi Picasso’s Guernica weg en neem het echte Guernica mee met de geur van vers bloed,

Wij hebben die dingen nu nodig, we hebben ze nodig om het feest te kunnen beginnen.

Uit het Arabisch vertaald door Djûke Poppinga

المدينة - The City

árabe | Ghayath Almadhoun

إذا كان الطريقُ إلى إيثاكا أجمل من إيثاكا، فإنَّ الطريقَ إلى دمشقَ ليس أجملَ من دمشق.


1
المدينةُ تشبهُ التجاعيدَ، ملتفةٌ على بعضها البعض كأجسادِ المنسيين في زنازين العالمِ الثالثِ، نافرةٌ كذاكرة مثقوبةٍ، واضحةٌ كملابس العيد، فضائحيةٌ كخيوطِ سجادةٍ فارسيةٍ، طالما سحرتني هذه المدينةُ بالتراكمِ، طبقةٌ تضاجعُ طبقةً تضاجعها أُخرى، تتوالدُ بلا حَبَلٍ، مدينةٌ تلبسُ البرقعَ في وجهها وتكشفُ عن ساقيها السمراوين، المدينةُ تقطعني حين أراودها عن نفسي جيئةً وذهاباً كل يومٍ، أقطعُها كما يقطعُ عرابو ثورةِ البروليتاريا رؤوسَ الطبقاتِ المخمليةِ بدايةً، ثم رؤوسَ الأصدقاءِ لاحقاً، أقطعُها بصبرِ جملٍ، بهمةِ كلاشنكوف، وشهوةِ جرادةٍ أمام حقلٍ في الصباحِ.

المدينةُ تشبهُ الذكرياتِ، مبهمةٌ، ولكنها تدغدغُ الحقيقةَ بحياءٍ، تُثْقِلُ نومنا بمزيدٍ من الشهوةِ، وصحونا بمزيدٍ من الأسئلةِ، ومثل جنازةِ الغرباءِ في المدنِ الغريبةِ، تثيرُ الشفقةَ دونَ أنْ تصافحَ يدَ الحزنِ، تئنُّ في الليلِ كأنها مصابةٌ بالترحالِ وتخدشُ جلدَ أحاديثنا بأظافرَ من حنينٍ مبهمٍ، ثم تندسُ إلى جانبنا في الفراشِ، كنَّا حين نصحو في منتصفِ الموتِ على صوتِ نشيجها، تغطي رأسَها بالوسادةِ، فتنكسرُ الأحلامُ.
المدينةُ تشبهُ السياحَ، بنزقهم، بكاميراتهم الديجتال وصنادلهم التي لا تعرفُ لغةَ الأرصفةِ في شمالهم الباردِ، بمرحهم المجمركِ ولفافاتِ حشيشهم التي ينكرونها وتنكرهم حين يعودون إلى بلادِ الثلجِ، تشبههم بلونهم البرونزي المزيفِ وقد شربتْ عظامهم الشمسَ وفيتامين "د" وكاميراتهم المدينة.
المدينةُ تشبه بائعي اليانصيب بوجوههم الميتة، وتقاريرهم لفروع المخابراتِ بعد غلاءِ الخبزِ، تشبههم وهم يزرعونَ الأحلامَ على الطرقاتِ، متوعدين العابرين بالملايين وأطفالهم يرضعون الماءَ ويربحون الجوع.
المدينةُ تشبهُ أبوابَها السبعةَ، مشرعةٌ بلا رقيبٍ كأسرَّةِ العاهراتِ، مغلقةٌ بلا بصيصٍ كقبورِ الموتى.
المدينةُ تشبهُ دمشق.




2
هنا تستلقي المدينةُ على ظهرها، الشمسُ تلدغُ جلدَها فتزدادُ شحوباً، والضجةُ تذهبُ إلى نهاياتها، من أولِ النهرِ إلى منتصفِ الروحِ، تشدُّ حبلَ مشيمتها الذي لم ينقطعْ، وترمي فقراءَها إلى الأطرافِ، فقراؤها الذين كلما حاولوا أنْ يحبوها سقطوا تحت عجلاتِ اتساعها، هذه الخدوشُ التي تسكنُ جلدها هي طرقاتُها المتشابكةُ بعنايةٍ لا إلهيةٍ، وتلكَ الغيمةُ السوداءُ التي تلفُّ جيدها إنما هي نتيجةُ تردُدِها المزمنِ أمامَ التوقفِ عن التدخينِ، يا إلهي، كيف لي أنْ أتسلقَ نهدَها المطلَّ على تجاعيدها، تستلقي عليه البيوتُ الرماديةُ من سفحهِ إلى الحلمةِ بهندسةِ التراكمِ منذ اكتشافِ اللذةِ صدفةً بين رجلٍ وامرأةٍ وحتى الحضارة، لا أصدقُ كيف يمكن لنهدٍ أن يُسمى جبلاً دون مجازٍ، ودربٌ شقَّها الذين مروا دون أن يُحبوا أعداءَهم، لا تزالُ كشاهدةِ القبرِ تبثُ التاريخَ، هنا تستلقي المدينةُ طازجةً وكأنها لم تسبقِ الأبجديةَ بعدةِ كوارثَ، تحيطها أسوارٌ لا تشبهُ الحصارَ، وتكادُ إنْ أنصتَّ قليلاً تسمعُ رجعَ صدىً خافتٍ لمنتصبي القامةِ الذين شربوا ماءَها وبعضهم تسللَ بحكمِ الوراثةِ إلى دمكَ المصابِ بالأغاني، إنها المقبرةُ الأولى التي احتفل الناسُ بها كدليلٍ على الذكرياتِ، أمرُّ بها غريباً عني فتمرُّ بي غريبةً عن ملامحي، أُبصرها في وجوهِ غرباءَ انتموا إليها فنتماهى في حضرةِ التوهمِ، هي القديمةُ مثل مستحاثةٍ وأنا الجديدُ مثل نهايةِ التاريخِ، أمسكُ ثوبها كطفلٍ وتمسكُ قلبي كامرأةٍ فنرتكبُ القصيدةَ، أنا الحالمُ يصطادُ الشعرَ وهي الواقعيةُ تنجبُ الأطفالَ ولا تربيهم، أنا الفاني وهي الأزليةُ الباقيةُ، أنا القدريُّ المشبعُ بالغيبياتِ وهي الواقعيةُ الملحدةُ، لا عزاءَ لي ولا ضيرَ عليها سوى أننا صُدفةً عاشقان.




3
نازلاً في الطريقِ إلى خصرها، أتقاطعُ مع الشكِّ، هو سائرٌ نحو كمالِ اليقينِ وأنا أكادُ ألامس الظنَّ من حافتهِ الملساء، أكسرُ حصالةَ الوقتِ وأخرجُ منها ثلاثةَ أيامٍ وبضعَ ساعاتٍ هي لحظاتُ الفرحِ التي جمعتها خلالَ حياتي التي لا تزال على قيدِ الحياةِ، ثقلُ بندقيةِ الكلاشنكوف التي أورثني إياها شيوعيٌ مرَ صدفةً بجانبِ جرحي لا يزالُ يثقلُ كتفي الأيمن، ولذا أصبحَ كتفي الأيسرُ أعلى وأكثرَ شموخاً، وازدادَ وَحْلُ أيامي رخاوةً وإيذاناً بالغوصِ البطيءِ، أما شجرةُ البرتقالِ التي يتكررُ ظهورُهَا في حلمي بطعمها الذي يشبهُ طعمَ غزةَ مع ميلانٍ خفيفٍ نحو حموضةٍ تشبهُ هواءَ دمشق، فتفسيرها عصيٌ على الويكيبيديا، وليس عصياً على ابن العربي، في آخرِ الدربِ المفضي إلى "الزقاقِ المستقيمِ" أرافقُ حنانيا إلى بيت يهوذا، نتمشى مبهورين بالتفاصيلِ التي تتساقطُ من السماءِ بسبب أخطاءَ فنيةٍ في هندسةِ الربِّ، نلتقي الشهداءَ الذين ينتظرونَ في الردهةِ من يجيبُهم عن أسئلتهم الوجودية عن معنى حشرهم وأعدائهم في قاعةٍ واحدةٍ تحت شعار كلنا شهداءُ، هذه المدينةُ تأكلُ لحمَ أخيها وتتجشأُ ازدحاماً، هذه المدينةُ مسورةٌ بالحكايا ودعاءِ المنكوبين بالورعِ، هذه المدينةُ لم تقطعْ حبلَ مشيمةٍ يصلُها بالموتِ، إنها تشحذُ سكينها كلَّ ليلةٍ على أملِ المجزرةِ القادمةِ، ليت لي دفءَ محركِ سيارةٍ في شتائكِ الحزين أو برودةَ قبرٍ في صيفكِ المرِّ أيتها الصحراءُ الاسمنتيةُ، أيتها المدينةُ التي تشربُ الشايَ على أنغامِ المعركةِ، وترقصُ رقصةَ الهزيمةِ على جثثِ أبنائها الضالين، آمين.




4
ليسَ في جعبتي متسعٌ من الضوءِ لأوزعَهُ على عميانِ "مترلينك"، الأسوارُ تحيطُ المعنى داخلَ روحي كما تحيطُ المدينةُ ذكرياتي، آه يا روحي المؤمنةُ، آه يا جسدي الملحدُ، سأعترفُ الآن بخطيئتي الأصليةِ، إنَّ جميعَ قصائدي التي غرزتُها في لحمِ أيامكم كسكينٍ صدئةٍ، ليست قصائدي، لقد سرقتها من المنسيين وفاقدي الذاكرةِ، وجمعتُها من أسرةِ المشافي البيضاءِ وأنين المعذبين، إنها ذاكرةُ النساءِ المسفوكةُ أمام ذكورةِ الله، غرغراتُ الذين ماتوا برداً في منتصفِ الأغنيةِ، إنها الحلمُ حين يكونُ مجرداً من الحالمين، نعم، إنها ليست قصائدي، إنها ذكرياتٌ متحجرةٌ لأناسٍ عاشوا قبل زمنٍ سحيقٍ، لا نعرفُ أسماءَهم ولكننا نحملهم في ملامحنا الباهتة، أمنياتٌ لم تتحققْ، وضحكاتٌ مستعملةٌ، إنها ليست قصائدي، إنها أنفاسُ الغرقى والمشنوقين، والأرواحُ التي سالتْ من ثقوبٍ صغيرةٍ أحدثتها البنادق…

إنها ليست قصائدي…
لـ ـيـ ـسـ ـت قـ ـصـ ـا ئـ ـد ي.




5
لستُ أنا فقط،

جميعنا غرباءُ،
وإلا كيف تفسرون المدينة؟




6
الشاعرُ الذي التقيتهُ ذاتَ خمارةٍ في دمشق،…


أكلهُ الذئب.




7
من أولِ الجسدِ إلى تخومِ الشهوةِ، يسَّاقطُ الليلُ جرحاً جرحاً، فأحتمي بالضوءِ، النساءُ المتخفياتُ بجلابيبهنَّ يذكرنني بذكورةِ العالمِ، فأتعكزُ على أنوثةٍ كي أنجو، والتعبُ الذي يسيلُ خلفَ المارةِ يشدُني إلى القاعِ، هذه المدينةُ لا تشبهُ الفرحَ، لكنَّ فيها غموضاً يصيبُنا بسعادةٍ عابرةٍ، لا تشبهُ الموتَ لكنها محكومةٌ بالنهاياتِ، هي الظلمُ الموزعُ بعدالةٍ فاضحةٍ، حلمُ المرأةِ بالانعتاقِ، تنهيدةُ الله، ورأسُ يوحنا الذي يركضُ في ليالينا باكياً، هي التحالفُ بين القصيدةِ والجلادِ، بين رائحةِ الأسوارِ طازجةً ونكهةِ الأزقة التي تفضي إلى البدايةِ، إنها الشامُ، عرسُ الدمِ الذي لا ينتهي، رقصةُ سالومي التي تمطرُ أياماً على أيامنا، النهايةُ التي تبدأ الآن، صلاةُ أمي المبللةُ بالأساطيرِ، المآذنُ التي تلامسُ أصابعَ الله، لصوتها طعمٌ يشبهُ لون الشعرِ، ولجسدها تضاريس الخطيئةِ، إنها الشامُ التي انجبتني وسقطتْ برصاصةِ قناصٍ، فولدنا معاً، أشدُها نحوي فتنكسرُ الأغنيةُ، تشدُني نحوها فتؤلمني القصيدةُ، {يا أيها الذين آمنوا لا تقربوا الشامَ إلا وأنتم سُكارى فإنها مجبولةٌ بالنعاسِ}، لها الأغاني المقتولةُ وتفاصيلُ النبوةِ ورائحةُ الوحيِ، ولنا التصوفُ تحت سُرَتها عراةً، نحن أبناؤها العاقون الذين ضاعوا في الشمالِ، وهي أمُّنا التي لم ترضعْنا سوى الخوفِ، فورثنا سورةَ الشعراءِ، إنها الشامُ، تفاحةُ الضوءِ وسفرُ الحزنِ ورسائلُ ابن العربي التي لم تصلْ بعدُ.

© Ghayat Almadhoun
Audio production: Ghayat Almadhoun, 2014

De stad

holandês

Zelfs al is de weg naar Ithaka mooier dan Ithaka, de weg naar Damascus is niet mooier dan Damascus.

1
De stad lijkt op rimpels, in elkaar geplooid als de lichamen van de mensen die zijn vergeten in de cellen van de Derde Wereld, uitpuilend als een doorboorde herinnering, opvallend als de kleren voor een feest, schaamteloos als de draden van een Perzisch tapijt. Deze stad heeft me altijd betoverd met haar opstapeling van lagen, die met elkaar slapen en baren zonder zwanger te zijn, een stad die haar gezicht sluiert met een boerka, maar haar bruine benen onbedekt laat. De stad doorsnijdt me, als ik haar probeer te verleiden door dagelijks te komen en weer te gaan. En ik doorsnijd de stad, zoals de peetvaders van de revolutie van het proletariaat eerst de koppen van de bourgeoisie afsneden, en daarna die van hun vrienden. Ik doorsnijd haar met het geduld van een kameel, met de vurigheid van een kalasjnikov en de gulzigheid van een sprinkhaan die in de vroege morgen op weg gaat naar de akkers.
De stad is vaag, als herinneringen, maar verlegen streelt ze de werkelijkheid. Als we slapen, belast ze ons met een overdosis begeerte en als we wakker zijn met een overdosis vragen. Zoals begrafenisstoeten van vreemden in vreemde steden, wekt ze medelijden zonder handen te schudden in rouw, kreunt ze in de nacht alsof ze is getroffen door een verlangen om weg te trekken en krabt ze de huid van onze gesprekken open met nagels van een duister verlangen. Daarna kruipt ze bij ons in bed. Toen we, halverwege de dood, wakker werden van het geluid van haar snikken, bedekte ze haar hoofd met een kussen, en werden onze dromen geknakt.
De stad lijkt op toeristen met hun haast, hun digitale camera’s en hun sandalen uit dat koude noorden die de taal van onze trottoirs niet verstaan, met hun zwaar belaste vrolijkheid en de hasjsigaretten die ze ontkennen en die hen ontkennen zodra ze teruggaan naar hun land van sneeuw en ijs. De stad lijkt op hen, met hun onechte, gebruinde huid, nadat hun botten zon en vitamine D, en hun camera’s de stad hebben opgezogen.
De stad lijkt op de lotenverkopers met hun levenloze gezichten en hun rapporten voor de geheime diensten, nadat de broodprijzen zijn gestegen. Ze zaaien dromen langs de wegen en beloven miljoenen aan de voorbijgangers, terwijl hun kinderen met water worden gezoogd en geen andere prijs winnen dan honger.
De stad lijkt op haar zeven poorten, geopend zonder bewaking, als hoerenbedden, gesloten zonder het minste straaltje licht, als dodengraven. De stad lijkt op Damascus.

2
Hier ligt de stad op haar rug en wordt bleker naarmate de zon op haar huid brandt. Het lawaai verspreidt zich naar de grenzen van de stad, van de monding van de rivier tot het midden van haar ziel, trekt aan haar nooit doorgesneden navelstreng en verjaagt haar armen naar de uiterste randen, de armen, die steeds wanneer ze in haar lichaam proberen te klimmen, onder de wielen van haar uitgestrektheid terechtkomen. De schrammen die haar huid bewonen, zijn straten die elkaar kruisen met een ongoddelijke voorzienigheid, en die donkere wolk die als een sjaal om haar nek is gewonden, is slechts het gevolg van haar chronische aarzeling om te stoppen met roken. Mijn God, hoe moet ik haar borst bestijgen, die neerkijkt op haar rimpels. Van de basis tot de tepel bevinden zich grijze huizen, opgestapeld vanaf het moment dat het genot tussen man en vrouw toevallig werd ontdekt, tot het moment waarop de beschaving is begonnen. Ik kan me niet voorstellen hoe een borst zonder metafoor een heuvel kan worden genoemd, terwijl er nog steeds een pad ligt, belopen door hen die passeerden zonder hun vijanden lief te hebben, als de getuigenis van een graftombe die de geschiedenis overlevert. Hier ligt de stad, vers, alsof ze het alfabet niet is voorafgegaan met ontelbare rampen, omringd door muren die niet lijken op een vesting. Als je even je oren spitst, kun je bijna de vage echo horen van onze vroegste voorvaderen die van haar water hebben gedronken, en van wie sommigen door erfelijkheid in jouw door liederen getroffen bloed zijn gedrongen. Ze is de eerste begraafplaats die door mensen werd geëerd om te bewijzen dat herinneringen echt zijn. Ik passeer haar als een vreemde voor mezelf, dus passeert zij mij zonder mijn gezicht te herkennen. Ik zie haar in de gezichten van vreemden die aan haar toebehoorden. En zo verkeren we even in de waan dat we één zijn: zij, oud als een fossiel, en ik, nieuw als het einde van de geschiedenis. Ik klamp me aan haar jurk vast als een kind en zij klampt zich aan mijn hart vast als een vrouw. Samen bedrijven we het gedicht, ik de dromer die poëzie najaagt en zij de realiteit die kinderen baart, maar niet opvoedt. Ik de vergankelijke en zij de eeuwig blijvende. Ik de fatalist, vervuld van geloof in bovennatuurlijke krachten, zij de ongelovige realist. Voor mij is er geen troost en haar treft geen kwaad, behalve dat we toevallig minnaars zijn.

3
Terwijl ik door de straat naar haar schoot loop, kom ik de twijfel tegen. Hij zet koers naar volledige zekerheid en ik strijk langs de zachte rand van een vermoeden. Ik breek de spaarpot van de tijd en haal er drie dagen en een paar uur uit, de momenten van vreugde die ik heb verzameld tijdens mijn leven, mijn leven dat nog in leven is. De kalasjnikov die ik heb geërfd van een communist die toevallig langs mijn wond liep, weegt nog steeds zwaar op mijn rechterschouder. Daardoor is mijn linkerschouder hoger en hooghartiger geworden. Het moeras van mijn dagen is nog drassiger en het gevaar dat ik langzaam word opgezogen nog dreigender. De sinaasappelboom, die steeds weer in mijn dromen verschijnt en smaakt naar Gaza met een vleugje bitterheid, zoals de lucht van Damascus, is voor Wikipedia moeilijk te omschrijven, maar niet voor Ibn al-Arabi. Aan het eind van het pad dat naar de Rechte Straat voert, vergezel ik Ananias naar het huis van Judas. We lopen, verblind door de deeltjes die uit de hemel dwarrelen als gevolg van enkele technische fouten in het bouwwerk van onze Lieve Heer. We ontmoeten de martelaren die in de gang wachten op iemand die een antwoord heeft op hun existentiële vragen over de reden waarom ze met hun vijanden in één zaal zijn samengedreven onder het motto: wij zijn allen martelaren. Deze stad eet het vlees van haar broeder en boert verzadigd. Deze stad is ingesloten door verhalen en gebeden van hen die door vroomheid zijn getroffen. Deze stad heeft de navelstreng die haar verbindt met de dood niet doorgesneden. Elke nacht slijpt ze haar mes, in afwachting van de volgende slachting. Had ik maar de warmte van de motor van een auto in jouw trieste winter, of de kou van een graf in jouw bittere zomer, o woestijn van cement, o stad, die thee drinkt op de melodie van de strijd, die de dans van de nederlaag danst op de lijken van haar verdoolde zonen. Amen.

4
Ik heb niet genoeg licht in mijn koker om te verdelen over de blinden van Maeterlinck. Muren omsluiten de betekenis in mijn geest, zoals de stad mijn herinneringen omsluit. O gelovige geest, o ongelovig lichaam, ik zal nu mijn oerzonde bekennen: al die gedichten die ik als een roestig mes in het vlees van jullie dagen heb gestoken, zijn niet mijn gedichten. Ik heb ze gestolen van hen die zijn vergeten en van hen die hun geheugen hebben verloren. Ik heb ze van de witte ziekenhuisbedden gehaald, van het gekerm van de lijders. Ze zijn het geheugen van de vrouwen die werden geofferd voor Gods mannelijkheid, ze zijn het gereutel van hen die midden in het lied zijn gestorven van de kou, ze zijn de droom, ontdaan van dromers. Nee, het zijn niet mijn gedichten.
Het zijn versteende herinneringen van mensen die in een ver verleden leefden, van wie we de namen niet kennen, maar die we meedragen in onze vale gelaatstrekken: onvervulde wensen, tweedehands gelach. Het zijn niet mijn gedichten, het zijn de ademtochten van hen die zijn verdronken en opgehangen, de zielen die naar buiten zijn gestroomd door kleine gaten, veroorzaakt door de geweren.
Het zijn niet mijn gedichten…
H E T Z I J N N I E T M I J N G E D I C H T E N

5
Ik ben niet de enige
Wij zijn allen vreemdelingen
Hoe zouden we anders de stad kunnen verklaren?

6
De dichter die ik tegenkwam in de een of andere kroeg in Damascus, is opgegeten door de wolf.

7
Van het begin van het lichaam tot de grenzen van de begeerte, valt de nacht neer, wond voor wond. Daarom zoek ik mijn toevlucht tot het licht. De vrouwen, verstopt onder hun galabia’s, herinneren me aan de mannelijkheid van de wereld, dus steun ik op vrouwelijkheid om te ontsnappen. De vermoeidheid die achter de voorbijgangers langs stroomt, trekt me naar de bodem. Deze stad lijkt niet op vreugde, maar bezit een ondoorgrondelijkheid die ons raakt met een vluchtig geluk. Ze lijkt niet op de dood, maar ze wordt beheerst door de einden. Ze is de onrechtvaardigheid die met een schaamteloze eerlijkheid onder de mensen wordt verdeeld, de droom van een vrouw die zichzelf wil bevrijden, de zucht van God, het hoofd van Johannes die huilend door onze nachten snelt, het verbond tussen het gedicht en de beul, tussen de frisse geur van de muren en de lucht van de stegen die voeren naar het begin. Dat is Damascus, de eeuwigdurende bloedbruiloft, de dans van Salomé die dagen over onze dagen uitstort, het einde dat nu begint, het gebed van mijn moeder, bevochtigd met legenden, de minaretten die Gods vingers raken. Haar stem smaakt naar de kleur van de poëzie, haar lichaam heeft de topografie van de zonde. Zij is het Damascus dat mij heeft gebaard en is gevallen door de kogel van een sluipschutter, dus we zijn samen geboren. Als ik haar naar me toetrek, breekt het lied af, als zij mij naar zich toetrekt, word ik gekwetst door het gedicht: ‘O gelovigen, kom niet in de buurt van Damascus, tenzij jullie dronken zijn, want ze heeft de aangeboren neiging om te sluimeren.’ Zij heeft de vermoorde liederen, de bijzonderheden van het profeetschap, de geur van de openbaring, en wij hebben het soefisme, naakt, onder haar navel. Wij zijn haar lastige kinderen, die in het noorden zijn verdwaald, en zij is onze moeder, die ons heeft gezoogd met niets dan angst. We hebben de Soera van de Dichters geërfd. Dat is Damascus, de appel van het licht, het boek der smarten en de brieven van Ibn al-Arabi die nog niet zijn aangekomen.

Uit het Arabisch vertaald door Djûke Poppinga

لا أستطيعُ الحضور - I Can’t Attend

árabe | Ghayath Almadhoun

في الشمالِ، بالقربِ من سياجِ الله، مستمتعاً بالتطورِ الحضاري وسحرِ التكنولوجيا، وبآخرِ ما توصلتْ إليهِ البشريةُ من أساليبِ التمدن، وتحتَ التأثيرِ المخدرِ الذي يمنحهُ الأمانُ والتأمينُ الصحيُّ والضمانُ الاجتماعي وحريةُ التعبير، أتمدَّدُ تحتَ شمس الصيفِ كأنَّني رجلٌ أبيض، وأفكرُ بالجنوب، مختلقاً أعذاراً تبررُ غيابي، يمرُّ بجانبي مهاجرونَ ورحالةٌ ولاجؤون، يمرُّ سكانٌ أصليونَ ومزيفونَ ومتهربونَ من الضرائب، كحوليونَ وأغنياءُ جددٍ وعنصريون، كلُّهم يعبرون أمامي وأنا جالسٌ في الشمالِ أفكرُ بالجنوب، وأؤلفُ قصصاً مزيفةً كي أُغطي على غيابي، وكيفَ أنَّني لا أستطيعُ الحضور.


نعم، لا أستطيعُ الحضور، فالطريقُ بين قصيدتي ودمشق مقطوعةٌ لأسباب ما بعد حداثية، منها أنَّ أصدقائي يصعدون إلى الله بتسارعٍ مُضطردٍ أعلى من سرعةِ مُعالجِ كمبيوتري، وبعضُها يخصُّ امرأةً قابلتها في الشمالِ فأنستني حليبَ أمي، وبعضها متعلقٌ بحوضِ السمكِ الذي لنْ يجدَ منْ يطعِمَهُ في غيابي.


 لا أستطيعُ الحضور، فالمسافةُ بين واقعي وذاكرتي تؤكِّدُ أنَّ أينشتاين على حقّ، وأنَّ الطاقةَ المنبثقةَ من اشتياقي تساوي حاصلَ ضربِ الكتلةِ في مربَّعِ سرعةِ الضوء.


 لا أستطيعُ الحضور، لكنَّني قادرٌ على الغياب، نعم، أستطيعُ الغيابَ بمهارةٍ عالية، وقد أصبحتُ محترفاً في الآونة الأخيرة، وصارَ لي أجندةٌ أرتِّبُ فيها مواعيدَ غيابي، وصارَ لي ذكرياتٌ لم تقعْ بعد.


أستطيعُ الغياب، كما لو أنَّني لم أكنْ، كما لو أنَّني عَدَم، كما لو أنَّ الهواءَ لم يدخلْ رئتي من قبل ولم يكُ لي أعداء، كما لو أنَّني فقدانُ ذاكرةٍ مُرَكَّز، كما لو أنَّني غيبوبةٌ تنتقلُ بالعدوى.


لا أستطيعُ الحضور، فأنا الآنَ مشغولٌ بالحربِ الباردة التي أخوضها يومياً مع العزلة، بالقصفِ العشوائيِّ للعتْم، بالاكتئابِ الممنهجِ وغاراتِ الوحدةِ التي تستهدفُ المطبخ، بحواجزِ التفتيشِ التي تقفُ بيني وبين الصيف، بالبيروقراطية بسببِ فَصْلِ السلطاتِ التشريعيةِ والتنفيذية، بالروتينِ في دائرةِ الضريبة، لقد حدَّثْتَنِي طويلاً عن الحرب، دعني أحدِّثك قليلاً عن السلامِ الذي أنعمُ به هنا في الشمال، دعني أحدِّثك عن تدرجاتِ لونِ البشرة، عن معنى ألَّا يعرفَ الناسُ أنْ يلفظوا اسمك، عن الشَّعر الأسود، عن الديمقراطيةِ التي تقفُ دائماً في صالحِ الأغنياء، عن التأمين الصحِّي الذي لا يشمل الأسنان لأنَّها ليست جزءاً من الجسد، دعني أحدِّثكَ عن الخضار التي لا طعمَ لها، عن الورودِ التي لا رائحةَ لها، عن العنصريةِ المغلفةِ بابتسامة، دعني أخبركَ عن الوجباتِ السريعةِ والقطاراتِ السريعةِ والعلاقاتِ السريعة، عن الإيقاعِ البطيءِ والحزنِ البطيءِ والموتِ البطيء.


هل ستُصدقني إنْ قُلتُ لكَ إنَّ حذائي متعبٌ، وإنَّ في داخلي ذئباً لا أستطيعُ كبحَهُ بعد أن اشتمَّ رائحة الدم، هل تصدقني إنْ رأيتَ على جسدي آثارَ الرصاصاتِ التي أصابتْ أصدقائي هناكَ بينما أنا جالسٌ هنا خلفَ شاشةِ الكمبيوتر، أتؤمنُ بالمصادفة، إنَّ غيابي مصادفةٌ مخططٌ لها بعنايةٍ بالغة، خبط عشواء مدروسة، ولقد اكتشفتُ مصادفةً أنْ ليس مصادفةً أنْ تحدثَ المصادفة، إنما المصادفةُ ألَّا تحدث. المهم، هل ستصدقني إنْ حلفتُ لكَ بالموسيقى، أقسمُ بالموسيقى أنَّ تصريحَ الإقامةِ في أوروبا قد يباعد ما بيننا وبين الموتِ بالرصاص، لكنَّه يقاربُ ما بيننا وبين الانتحار.


حسناً، سأخبركَ الحقيقة، سأخبركَ لمَ لا أستطيعُ الحضور، حدثَ ذلك في إحدى أمسياتِ الصيف، حين صادفتُ في الطريق إلى البيت امرأةً حزينة، كانتْ تحملُ في يدها غابة، وفي حقيبتها زجاجةَ نبيذ، قبَّلتُها فأصبحتْ حاملاً في الشهر الحادي عشر...


ليس هذا ما يمنعني من الحضور، سأخبركَ الحقيقة، لقد أمسكتني دمشقُ مع امرأةٍ أُخرى في الفراش، حاولتُ أنْ أُصلحَ الموقف، وأنَّ ما جرى نزوةَ ليس إلا، وأنَّها لن تتكرر، أقسمتُ بكلِّ شيء، بالقمر، بالألعابِ النارية، بأصابعِ النساء، لكنَّ كلَّ شيءٍ كانَ قد انتهى، فهربتُ إلى الشمال...


ليس هذا ما يمنعني من الحضور، سأخبركَ الحقيقة، حين كنتُ طفلاً، لم أكنْ أعرفُ أي شيءٍ عن اقتصاد السوق، الآن وبعدَ أنْ أصبحتُ مواطناً في إحدى دول العالمِ الأول فإنَّني لا أعرفُ أي شيءٍ عن اقتصادِ السوق...


ليس هذا ما يمنعني من الحضور، سأخبركَ الحقيقة، حينَ كنتُ أهمُّ بالمجيء، اصطدمتْ حقيبتي بخبرٍ عاجلٍ فانكسرتْ لغتي إلى قطعٍ وتناهبها المارة، ولم يعدْ لديَّ لغة...


ليس هذا ما يمنعني من الحضور، سأخبركَ الحقيقة، أنا ميِّت، نعم، لقد توفيتُ منذ عدةِ سنوات...
 

© Ghayat Almadhoun
Audio production: Ghayat Almadhoun, 2014

Ik kan niet aanwezig zijn

holandês

In het Noorden, vlakbij Gods omheining, genietend van de vooruitgang, de beschaving, de magie van de technologie en de nieuwste civilisatiemethoden die door de mens zijn ontwikkeld, onder de verdovende invloed van veiligheid, ziektekostenverzekeringen, sociale voorzieningen en vrijheid van meningsuiting, strek ik me uit onder de zomerzon, alsof ik een witte man ben. Ik denk aan het Zuiden en verzin allerlei excuses om mijn afwezigheid te rechtvaardigen. Langs me lopen migranten, reizigers, vluchtelingen, autochtonen, fraudeurs, belastingontduikers, alcoholisten, nieuwe rijken, racisten. Ze lopen allemaal voor me langs, terwijl ik in het Noorden zit te denken aan het Zuiden en onoprechte verhalen schrijf om mijn afwezigheid toe te dekken en te verklaren dat ik niet aanwezig kan zijn.

Nee, ik kan niet aanwezig zijn, want de weg tussen mijn gedicht en Damascus is om bepaalde postmoderne redenen afgesloten. Een daarvan is dat mijn vrienden opstijgen naar God met een constante snelheid, die hoger is dan die van een computerprocessor. Sommige redenen hebben te maken met een vrouw die ik in het Noorden heb ontmoet en die me de melk van mijn moeder heeft doen vergeten. Andere hangen samen met de vissen in de kom, die niemand zullen vinden om hun tijdens mijn afwezigheid te voeren.

Ik kan niet aanwezig zijn, want de afstand tussen mijn werkelijkheid en mijn herinnering bevestigt dat Einstein gelijk had en dat de energie die wordt uitgestoten door mijn verlangen, gelijk staat aan het product van de vermenigvuldiging van de massa met de snelheid van het licht in het kwadraat.

Ik kan niet aanwezig zijn, maar ik ben wel in staat om afwezig te zijn. Ja, ik ben uiterst behendig in het afwezig zijn, ik ben er de laatste tijd professioneel in geworden. Inmiddels beschik ik over lijsten, waarin ik de tijden van mijn afwezigheid opteken, en over herinneringen die nog niet hebben plaatsgevonden.

Ik kan afwezig zijn, alsof ik niet besta, alsof ik niets ben, alsof er nog nooit zuurstof in mijn longen is binnengekomen, alsof ik nooit vijanden heb gehad. Als een geconcentreerde vorm van geheugenverlies, als een coma, overgebracht door besmetting.

Ik kan niet aanwezig zijn, want op dit moment word ik in beslag genomen door de koude oorlog, waar ik me dagelijks samen met mijn eenzaamheid in stort. Ik word in beslag genomen door de nachtblinde bombardementen, de systematische depressie, de aanvallen van eenzaamheid met de keuken als doelwit, door de controleposten die tussen mij en de zomer staan, door de bureaucratie die voortkomt uit de scheiding tussen de wetgevende en de uitvoerende macht, door de routine bij de belastingdienst. Jij hebt me lang over de oorlog verteld, laat mij jou kort over de vrede vertellen, waarvan ik hier in het Noorden geniet. Laat me je vertellen over schakeringen van de huidskleur, over wat het betekent dat de mensen je naam niet kunnen uitspreken, over zwart haar, over de democratie die altijd in het voordeel is van de rijken, over de ziektekostenverzekering die de tandarts niet dekt omdat het gebit geen deel is van het lichaam. Laat me je vertellen over de groenten die geen smaak hebben, over de bloemen die geen geur hebben, over het racisme dat wordt verdoezeld door een glimlach. Laat me je vertellen over snelle maaltijden, snelle treinen en snelle relaties, en over het trage ritme, het trage verdriet en de trage dood.

Geloof je me als ik je zeg dat mijn schoenen moe zijn en dat er een wolf in me schuilt die ik niet meer kan intomen sinds hij de geur van bloed heeft geroken? Geloof je me als je op mijn lichaam sporen ziet van de kogels waardoor mijn vrienden daarginds zijn getroffen, terwijl ik hier achter mijn computerscherm zat? Geloof je in het toeval? Geloof je dat mijn afwezigheid een uiterst zorgvuldig beraamd toeval is, een weloverwogen, willekeurige gebeurtenis? Ik heb toevallig ontdekt dat het niet toevallig is dat iets toevallig gebeurt, maar dat het juist toevallig is dat het niet gebeurt.
Hoe het ook zij, geloof je me als ik je zweer op de muziek, dat onze Europese verblijfsvergunning de afstand tussen ons en de dood door kogels heeft vergroot, maar ons dichter bij zelfmoord heeft gebracht?

Goed, ik zal je de waarheid vertellen, ik zal je vertellen waarom ik niet aanwezig kon zijn. Het is gebeurd op een van die zomeravonden, toen ik onderweg naar huis een trieste vrouw tegenkwam. Ze droeg een bos in haar hand en in haar tas zat een fles wijn. Ik kuste haar en in de elfde maand werd ze zwanger…

Maar dat is het niet wat me verhindert aanwezig te zijn. Ik zal je de waarheid vertellen. Damascus heeft me in bed betrapt met een andere vrouw. Ik probeerde de situatie te redden. Het was niet meer dan een bevlieging geweest en het zou nooit meer gebeuren. Dat zwoer ik bij alles, bij de maan, het vuurwerk en de vingers van de vrouwen, maar alles was afgelopen, dus vluchtte ik naar het Noorden.

Maar dat is het niet wat me verhindert aanwezig te zijn. Ik zal je de waarheid vertellen. Toen ik een kind was, wist ik niets over de markteconomie. En nu ik een burger van een van de landen van de Eerste Wereld ben geworden, weet ik nog steeds niets over de markteconomie…

Maar dat is het niet wat me verhindert aanwezig te zijn. Ik zal je de waarheid vertellen. Toen ik wilde komen, kwam mijn koffer in botsing met een ingelaste nieuwsuitzending en viel mijn taal in stukken die door de voorbijgangers werden opgeraapt. Nu heb ik geen taal meer…

Maar dat is het niet wat me verhindert aanwezig te zijn. Ik zal je de waarheid vertellen. Ik ben dood. Ja, ik ben enkele jaren geleden gestorven…

Maar dat is het niet wat me verhindert aanwezig te zijn. Ik zal je de waarheid vertellen…

Uit het Arabisch vertaald door Djûke Poppinga