Liliane Wouters 
Translator

on Lyrikline: 10 poems translated

from: neerlandés to: francés

Original

Translation

Entre deux mers

neerlandés | Lut De Block

Hier sta ik dan: entre deux mers
midden in de draaikolk van het leven.
Entre deux mers: de dode bloedeloze
en de rode van dit leven.
Tussen de moedeloze en de eindeloze.

Ecce mater. Mater nostra. Zie haar.
Hunkeren naar het vuur, smeken om het water.
Vliegen in het luchtledige. Bijten in het zand.
Zie haar. Zie hen. Zie hun poriën van pijn.
Liggend tegen aarde en niet wetend
of ze winnaars of verliezers zijn.

© De Arbeiderspers
from: Entre deux mers
Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers, 1997
Audio production: Flemish Literature Fund, Antwerp, 2012.

Entre deux mers

francés

Me voilà donc ici: entre deux mers
au centre du tourbillon de la vie.
Entre deux mers: la morte dépourvue de sang
et la rouge privée de vie.
Entre la sans limites et la sans courage.

Ecce mater. Mater nostra. Regardez-la.
Aspirant à la flamme, implorant l’eau,
mordant dans le sable, volant dans le vide.
Regardez-la. Regardez-les. Voyez les pores de leurs maux.
Couchés contre la terre et sachant bien
qu’ils ne seront ni gagnants ni perdants.

Traduit du néerlandais par Liliane Wouters
Dans: ni gagnants, ni perdants, Maison de la Poésie, Nord/Pas-de-Calais, 2000.

Aarde

neerlandés | Lut De Block

Wanneer ik morgen bij je lig,
leg dan je warme wang tegen me aan.
Weeg niet te zwaar, woel zacht in mij,
en laat je wormen ongestoord hun gang.

Ik zal de regen niet voor tranen houden.
De wind zal huilen maar dan niet om mij.
Want ik zal zalig zijn wat ik ooit was:
wat stof en as, een hoopje modderbrij

dat je zal strelen, kneden, vormen.
Ik zal ontbinden om me aan jou te binden.
Je zal me kennen tot op het bot. En waar
een man moet falen, zal jij het einde zijn.

© De Arbeiderspers
from: Entre deux mers
Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers, 1997
Audio production: Flemish Literature Fund, Antwerp, 2010.

Terre

francés

Lorsque demain près de toi je serai couchée,
pose ta chaude joue tout contre moi.
Ne pèse pas trop lourd, remue en moi
doucement et laisse tes vers aller leur train.

Je ne confondrai pas la pluie avec les larmes.
Le vent hurlera mais pas à cause de moi.
Car je serai béatement ce que j’étais déjà:
cendre et poussière, boueuse bouillie

que tu caresseras, pétriras, formeras.
Je me dénouerai pour me nouer à toi.
Tu me connaîtras jusqu’aux os. Et là où l’homme
doit s’échouer, tu marqueras la fin.

Traduit du néerlandais par Liliane Wouters
Dans: ni gagnants, ni perdants, Maison de la Poésie, Nord/Pas-de-Calais, 2000.

[De takken ijlen van me weg als oude pijnen]

neerlandés | Lut De Block

De takken ijlen van me weg als oude pijnen.
Mijn liefste is de houthakker. Ik hoor
zijn vastberaden tred mijn vingers kraken.
Het wachten is op hem. Hij vindt me steeds
vol kloven. Zal hij me sparen. Ik voel
het kloppen van zijn bloed, het strelen
van mijn weke spint. Hij bindt me op
en weert de wildgroei van de jaren.

© Poëziecentrum
from: Landziek
Gent: Poëziecentrum, 1988
Audio production: Flemish Literature Fund, Antwerp, 2012.

[Les rameaux s’écartent de moi tels d’anciens maux]

francés

Les rameaux s’écartent de moi tels d’anciens maux.
Mon amour est le bûcheron. J’entends
craquer mes doigts sous son pas décidé.
Car c’est lui que j’attends. Il trouvera sur moi
tout plein de failles. M’épargnera-t-il. Je sens
la palpitation de son sang et sa caresse
sur mon aubier humide. Il me redresse,
repousse la sauvage prolifération des ans.

Traduit du néerlandais par Liliane Wouters
Dans: ni gagnants, ni perdants, Maison de la Poésie, Nord/Pas-de-Calais, 2000.

[Zoals een blad dat valt]

neerlandés | Lut De Block

Zoals een blad dat valt,
zo viel jouw naam.
Jij lieflijk Jiddisch meisje,
verrast door een kus, verast
door een kus op de Kouter.

Gas verzandt in je mond. Je liep hem nog na,
je tong proefde gulzig het slib van zijn lippen.
Jij Judith, hij Judas. Je as dwarrelt neer,

je witte bloed zindert en zoekt zich een vrijplaats,
een plein in de stad waar de liefde je loutert,
een liefde die geen blad voor de mond neemt,
een mond die zich aanbiedt, een kus op de Kouter.

© De Arbeiderspers
from: De luwte van het late middaguur
Amsterdam/Antwerpen: De Arbeiderspers, 2002
Audio production: Flemish Literature Fund, Antwerp, 2012.

[Comme une feuille sur la terre]

francés

Comme une feuille sur la terre
ton nom vient sur les lèvres.
Gentille jeune fille jiddish
par un baiser surprise, devenue poussière,
poussière et cendre par un baiser sur le Kouter.

Le gaz s’ensable dans ta bouche. Tu allais vers lui,
ta langue avidement goûtait la tourbe de sa bouche.
Toi, Judith, lui Judas. Tournoyant ta cendre descend,

ton sang immaculé se cherche un lieu d’asile,
un lieu dedans la ville où t’épure l’amour,
l’amour qui parle sans mâcher ses mots, les lèvres
offertes, le baiser sur le Kouter.

Traduit du néerlandais par Liliane Wouters
Dans: ni gagnants, ni perdants, Maison de la Poésie, Nord/Pas-de-Calais, 2000.

[Ik heb je niet begraven vader]

neerlandés | Lut De Block

Ik heb je niet begraven vader,
ik sleep je jaren op mijn rug.

Toen je stierf, vluchtte ik weg in het ritueel
van de in leven houdende herinnering.
Ik dacht: zolang er bloed is
op de keukenvloer
is leven mogelijk.

En toen de kist er was en heerlijk geurde
naar zwart en smart en veel familieleden
wist ik ze leeg of vol met stenen.
Want jij was weg,
je hield ons allen voor de gek.

En later verzon ik allerlei verhalen.
Jij was ontvoerd, beroofd van al je zinnen...
Maar eens zou je verschijnen,
mij eindelijk bevrijden, want

ik heb je niet begraven vader.
Ik sleep je jaren op mijn rug.

© Yang Poëzie Reeks
from: Vader
Gent: Yang Poëzie Reeks, 1984
Audio production: Flemish Literature Fund, Antwerp, 2012.

[Je ne t’ai pas enterré, père]

francés

Je ne t’ai pas enterré, père,
je t’ai traîné sur le dos pendant des années.

Quand tu mourus, je me réfugiai dans le rituel
des souvenirs qui nous gardent en vie.
Je pensai: tant qu’il y aura du sang
sur le carreau de la cuisine
vivre sera possible.

Et lorsque le cercueil fut là, qui sentait bon
le deuil et la douleur, et les parents nombreux,
je sus qu’il était vide ou bien rempli de pierres
car tu étais parti
te fichant bien de nous.

Plus tard, je t’inventai un tas d’histoires.
On t’avait enlevé, privé de ton bon sens.
Mais un jour je te verrais apparaître
pour enfin me délivrer car

je ne t’ai pas enterré, père,
je t’ai traîné sur le dos pendant des années.

Traduit du néerlandais par Liliane Wouters
Dans: ni gagnants, ni perdants, Maison de la Poésie, Nord/Pas-de-Calais, 2000.

[Zij voeren naar de poorten van de hemel]

neerlandés | Geert van Istendael

'Verlangen steeds, verliezen toch.'
                                  J.J. SLAUERHOFF - Een eerlijk zeemansgraf

Zij voeren naar de poorten van de hemel,
de nacht beloofde alles, achter sterren
een gouden lichtplas, luxueus vermorst.

Zij dreven over wateren van vergeten,
hun weg was lang geweest, als zand hun dorst,
hun reis een raadsel als een mensenleven.

Het einde kwam nabij. De laatste veerman
had zware tol geëist. De laatste branding
zou hen verheffen tot het paradijs.

Waar zijn zij heen? Waar zijn zij aangeland?
Hoe stil zijn zwarte vrouwen op een strand.

© Atlas
from: Taalmachine
Amsterdam / Antwerpen: Atlas, 2001
Audio production: het beschrijf, Brussels 2002

[Ils s`en allaient jusqu`aux portes du ciel]

francés

‘Désirer toujours, cependant perdre.’
                           J.J. Slauerhoff – Une vraie tombe de marin


Ils s`en allaient jusqu`aux portes du ciel,
la nuit tout promettait, passé les astres
une flaque d`or clair tant prodiguée.

Ils naviguaient sur des eaux oublieuses,
longue la route et la soif, tel du sable,
comme la vie leur voyage, une énigme.

Proche la fin le dernier nautonier
au lourd péage. Et l`ultime ressac
qui les fera monter au paradis.

Où sont-ils à présent ? Où ont ils débarqué ?
Le calme de ces femmes en noir sur la plage.

traduction: Liliane Wouters



© Liliane Wouters



Zeis

neerlandés | Geert van Istendael

IJzer slaat ijzer op een stoel van ijzer,
gehaard, gehard vindt zij haar ware aard,
cirkelsegment op snee, haar ware doel,
het zwad dat zij onthoofdde, aait en draait.
De wetsteen scherpt haar in: wees koel, wees wreed.

Het zandglas en de knekels zijn haar vreemd,
in dauw op gras vindt zij haar element.
Zie hoe zij zwaaiend door het hooiland rent.

© Atlas
from: Taalmachine
Amsterdam / Antwerpen: Atlas, 2001
Audio production: het beschrijf, Brussels 2002

Faux

francés

Le fer frappe du fer sur un siège de fer,
flambé, durci, il reconnaît sa vraie nature,
segment de cercle sur tranchant, son but réel,
les andains qu`il étête, poussant et tournant.
La meule en l`aiguisant le veut froid et féroce.

Il ne connaît ni sablier ni ossuaires,
dans l`herbe et la rosée trouvant son élément.
Vois, sur le champ de fauche, aller son mouvement.

traduction: Liliane Wouters



© Liliane Wouters



Memoires

neerlandés | Paul Snoek

Hoe is het mogelijk?
Oorspronkelijk had ik gehoopt
onopgemerkt doorheen het huis te gaan,
vermomd en overtollig als een mens
tussen de huizen en hun mensen.

En mijn verdriet te dragen alledaags
tot het doorschijnend werd
en draaglijk als daglicht.

Ik dacht dat het voldoende was
een nacht te snikken in een lang, dik bed
en eens tot op het hartsbeen door te huilen.
Maar neen.

Ik ben gewoon te wenen in de eerste persoon
en alleen.
Ik doe dus maar alsof ik glimlach
en met al mijn ledematen in mijn lichaam woon.

Hoe is het mogelijk
dat ik niet wist dat verdriet
van de liefde effent het felle reliëf
en dat het leven geen hoogtepunt is
maar een stilstand.

Toch is het jammer
dat er geen sluiktaal bestaat,
een gerie.ijke code,
waarin ik heimelijk kan schrijven
over het verschijnsel heimwee
en doen alsof ik schrijf over de maan,
ja, dikke boeken schrijf
over het zogezegde maanlicht.

Maar in werkelijkheid
over het huis dat ik bewoonde
en toch verlaten heb,
met in mijn merg de warmte
van nog zoveel toekomstig spijt.

Mijn huid wordt er wit van
en nog witter mijn huiver,
wanneer ik in heldere spiegels lees
de oude teksten over het oog.

Het porselein geworden oog.

Wanneer ik zie hoe duidelijk de sporen zijn
die mijn schaduw achterlaat in mijn verleden.
Mijn schaduw, mensen,
die van eenzaamheid
het lichaam van zijn drager
niet meer behoudt, niet meer herkent.

Een taal, zoals ik zei,
waarmee ik schrijven kan
over het hart en zijn termische traagheid.

Over de liefde
in het leegstaand huis van mijn geheugen.

Over mijn leven,
waarvan ik mij vaag de toekomst herinner.

from: Gedichten
Tielt/Amsterdam: Atlas, 2006
Audio production: VRT - Flemish Radio- and Television Network (www.vrt.be)

Mémoires

francés

Comment est-ce possible?
A l’origine j’avais espéré
traverser la maison inaperçu
déguisé, superflu, comme quelqu’un
qui passe entre les gens et leurs maisons.

Et porter mon chagrin banalement
jusqu’à ce qu’il soit transparent
et supportable ainsi que la lumière.

Je pensais qu’il me suffirait
de sangloter toute une nuit dans un lit long et large,
de pleurer à travers tout, jusqu’à l’os.
Mais non.

J’ai l’habitude de pleurer à la première personne
et seul.
Je fais donc semblant de sourire,
d’habiter mon corps avec tous mes membres.

Comment est-ce possible ?
Non je ne savais pas que le chagrin
nivelait le violent relief de l’amour,
que l’existence n’est pas un sommet
mais un piétinement.

Dommage tout de même
qu’il n’y ait pas de langue frauduleuse,
de code utile pour
écrire en grand secret,
pour écrir sur la nostalgie
et faire comme si je parlais de choses exquises,
comme si j’écrivais de gros livres
sur ce que l’on appelle clair de lune.

En réalité j’écris
sur la maison que j’habitais
et que j’ai fini par quitter
avec jusqu’à la moelle la chaleur
de tout le chagrin à venir.

Ma peau en devient blanche.
Plus blanc encore mon tremblement
Lorsqu’en de clairs miroirs je lis
d’antiques textes relatifs aux yeux.
Les yeux devenus porcelaine.

Lorsque je vois si nettes
dans le passé  les traces de mon ombre.
Mon ombre, bonnes gens,
à force de solitude elle
ne peut plus retenir, plus reconnaître
le corps de son porteur.

Une langue, disais-je,
dans laquelle pouvoir écrire
le cœur et sa lenteur et sa chaleur.

L’amour
dans la maison vide de ma mémoire.

Ma vie
dont quelquefois l’avenir se rappelle à moi.

Traduction par Liliane Wouters

From: Les Lettres Nouvelles, numéro spécial, 1975.

Baksteen

neerlandés | Geert van Istendael

Hij heeft de hoeken van de metselaarshand.
Hij wint de regelmaat van honingraten
als hij met zijns gelijken een verband
vindt. Waterpas. Gevoegd. Hij ademt gaten,
gewelf en poort verlichten zijn verstand.

Hij staat voor niets, stut alles. Hollands straatje,
Romeins riool, van Babel tot gotiek,
hij is het eelt der steden. Soms thermiek.

© Atlas
from: Taalmachine
Amsterdam / Antwerpen: Atlas, 2001
Audio production: het beschrijf, Brussels 2002

Brique

francés

Elle a pour angles la main du maçon
et se trouve liée à ses pareilles
suivant la règle des rayons de miel.
A niveau. Jointe. Respirant des brèches,
l`esprit ouvert par les portes, les voûtes.

N`étant rien, tenant tout. Rue hollandaise,
égoût romain, de Babel au gothique,
durillon des cités. Parfois thermique.

traduction: Liliane Wouters



© Liliane Wouters


Aan Paul van Nevel

neerlandés | Geert van Istendael

Amice,
Jij schrijft mij uit Sint-Petersburg:
'Waarom zijn wij geen Russen?'

Ik heb een zoon, Paul, hij citeert
met liefde Poesjkin in diens taal
van zwepen en van zwarte aarde.
Wij zijn geen Russen, zegt mijn zoon,
het is de vlakte, vader, het is
de wijde hemel die hun god verbergt.
Hij reist en hij studeert, mijn zoon,
hij weet wat wij niet zijn.
                           Weet ik
wat ik ben? Welke stemmen spreken
in mijn stem? Welk spoor volg ik
langs kloven van geschiedenis,
door de vervallen steden van
de etymologie, de bronnen mijdend
van ideologie, al brandt
de dorst naar waarheid op mijn tong?

Allang ga jij op reis
door aardlagen waarin Europa slaapt,
waarin de sedimenten van
Europa's stemmen zwijgen.
Jij dringt papieren kerkers binnen,
jij oefent het geduld van sleutels
en uit de kooien van de notenbalken
laat jij Europa's stemmen los.

Caeli movendi sunt. Polyfonie
strijkt in mijn oorschelp neer,
Latijnse roos.

Wij kennen de Romaanse heuvels
van Ventadour en van Guilhem,
wij luisteren naar dezelfde boeren,
cultuur is akker, steen en stem.
Jij zegt, daar straalde voor het eerst de zon
op bloesems van een nieuw Latijn.
Maar ik wil schuilen in jouw naam,
ik wil de mist, ik wil de nacht.
Ik hoor het noordelijke blaffen
en als ik opspring, terugroep, instem,
zijn woorden daken in de regen,
zijn woorden vuren in de kou.
Mijn smalle paden door de polder
van dit papier zijn draden,
het rulle linnen van mijn Vlaams,
geschoten door de strakke schering
van mijn geliefde Nederlands.

Wat ben ik, Paul? Een woord, een trilling
in lage lucht? Ben ik als boeken
waar vreemde klanken in verdwalen?
Wat zijn wij, Paul? Zijn wij de teken
in Aziës achterlijf?
Zijn wij de eeuwige Vandalen,
gedoemd elkanders hoge hutten
opnieuw, opnieuw van hun voetstuk te halen?

Of zijn wij zangers in een kring,
beneveld door de kostbare wijn
van een Germaans gestemd Latijn?

Tibi,
Geert.

© Atlas
from: Taalmachine
Amsterdam / Antwerpen: Atlas, 2001
Audio production: het beschrijf, Brussels 2002

A Paul Van Nevel

francés

Amice,
Tu m`écris de Saint-Petersbourg :
‘Pourquoi ne sommes-nous pas russes ?’

J`ai un fils, Paul, il cite
avec amour Pouchkine dans sa langue
de verges et de terre noire.
Nous ne sommes pas russes, dit mon fils,
c`est la plaine, papa, et c`est le ciel
immense qui leur cache dieu.
Il étudie et voyage, mon fils,
il sait ce qu`on n`est pas.
                                       Sais-je
ce que je suis ? Quelles voix parlent dans
ma voix ? Quelle trace me guide
le long des fosses de l`histoire,
les villes dégradées de l`étymologie,
fuyant les sources idéologiques même
si cette soif du vrai brûle ma langue ?

Depuis longtemps tu voyages par les
territoires où dort l`Europe,
où les sédiments des
voix de l`Europe font silence.
Tu forces les cellules de papier,
éprouves des clés la patience
et, hors les cages des portées de notes,
libère les voix de l`Europe.
Caeli movendi sunt. Dans mes oreilles
s`installe la polyphonie,
rose latine.

Nous connaissons les collines romanes
de Guilhem et de Ventadour,
nous écoutons les mêmes paysans,
la culture est de terre, pierres, voix.
Tu dis, là le soleil pour la première fois
brilla sur les bourgeons d`un latin neuf.
Je veux me cacher en ton nom,
je veux la nuit et le brouillard.
J`entends du Nord les aboiements
quand je bondis, rapelle, approuve,
les mots sont des feux dans le froid.
Mes étroits chemins de polders
de ce papier forment la trame,
le lin poudreux de mon flamand
policé par le strict rasage
de mon néerlandais aimé.

Que suis-je, Paul ? Sous le ciel bas
un tremblement, un mot ? Ou tels ces livres
où des sons étrangers se perdent ?
Que sommes-nous ? Est-ce nous qui
marquons la croupe de l`Asie ?
Sommes-nous d`éternels Vandales
condamnés à déraciner
encore et encore leurs huttes ?
Ou bien des chanteurs dans un cercle,
grisés par le vin précieux
d`un latin d`humeur germanique ?


Tibi,
Geert.

traduction: Liliane Wouters



© Liliane Wouters