Hugo Claus

neerlandés

Gregor Seferens

alemán

DE MOEDER

Ik ben niet, ik ben niet dan in uw aarde.
Toen gij schreeuwde en uw vel beefde
Vatten mijn beenderen vuur.

(Mijn moeder, gevangen in haar vel,  
Verandert naar de maat der jaren.

Haar oog is licht, ontsnapt aan de drift
Der jaren door mij aan te zien en mij
Haar blijde zoon te noemen.

Zij was geen stenen bed, geen dierenkoorts,  
Haar gewrichten waren jonge katten,

Maar onvergeeflijk blijft mijn huid voor haar  
En onbeweeglijk zijn de krekels in mijn stem.

'Je bent mij ontgroeid,' zegt zij traag mijn
Vaders voeten wassend, en zij zwijgt
als een vrouw zonder mond.)

Toen uw vel schreeuwde vatten mijn beenderen vuur.
Gij legde mij neder, nooit kan ik dit beeld herdragen,
Ik was de genode maar de dodende gast.

En nu, later, mannelijk word ik u vreemd.  
Gij ziet mij naar u komen, gij denkt: 'Hij is  
De zomer, hij maakt mijn vlees en houdt
De honden in mij wakker.'

Terwijl gij elke dag te sterven staat, niet met mij
Samen, ben ik niet, ben ik niet dan in uw aarde.
In mij vergaat uw leven wentelend, gij keert  
Niet naar mij terug. van u herstel ik niet.

© De Bezige Bij & Hugo Claus
De: Gedichten 1948-1993
Amsterdam: De Bezige Bij, 1994
Producción de Audio: Het Beschrijf, 2004

Die Mutter

Ich bin nicht, ich bin nicht außer in Deiner Erde.
Als Du brülltest und Deine Haut bebte,
fingen meine Gebeine Feuer.

(Meine Mutter, gefangen in ihrer Haut,
verändert sich im Takt der Jahre.

Ihr Blick ist hell, entflohen der Wut
der Jahre, indem sie mich ansah und mich
ihren glücklichen Sohn nannte.

Sie war kein Bett aus Stein, kein fiebrig Tier,
Ihre Gelenke waren junge Katzen,

Doch unverzeihlich bleibt meine Haut für sie,
Und unbeweglich sind die Grillen in meiner Stimme.

„Du bist mir entwachsen“, sagt sie träge, meines
Vaters Füße waschend, und sie schweigt
wie eine Frau ohne Mund.)

Als Deine Haut schrie, fingen meine Gebeine Feuer.
Du legtest mich nieder, nie kann ich dies Bild zurückholen,
Ich war der willkommene, doch mordende Gast.

Und nun, später, männlich werde ich Dir fremd.
Du siehst mich zu Dir kommen, Du denkst: „Er ist
Der Sommer, er macht mein Fleisch und hält
Die Hunde in mir wach.“

Dieweil Du jeden Tag stirbst, nicht zusammen
mit mir, bin ich nicht, bin ich nicht außer in Deiner Erde.
In mir vergeht sich wälzend Dein Leben, Du kehrst
Nicht zu mir zurück. Von Dir genese ich nicht.

Aus dem Niederländischen von Gregor Seferens