Hugo Claus

neerlandés

Maria Csollány

alemán

DICHTER

Herfst. Hoor. Geknetter. Hoor je dat zwaar geratel?
Het nadert in onze kleren, in onze haren.
Luizen van geluid. Wat is dit melaats geprevel?
Kind, het zijn de dichters buiten die klappertanden.

Hoe dichter de dichters bij hun sterven geraken
Des te grimmiger kermen zij naar de sterren.
In de ochtendmist waarin hun beelden smelten  
Bevriezen de dichters in een herkenbaar colbert.

Hoor hoe koortsig zij hun naderend vergaan verklaren  
Want hun laatste gereutel moet doorzichtig zijn,
Hun weduwen van lezers doen snikken.

'0, ons ego was te duister!' klagen zij.
'Dat vroeg de tijd, polyinterpretabel als wij!'
En kijk, zij kruipen uit de windsels van hun ziel,
De mond vol kroket en gebed om genade
Voor hun prostaat, hun plagiaat.

Ei op sterven na ontdekken de dichters plots
De bedarende mirakels van goden, aforismen,  
Aspirines, tederheden. Voor het eerst kan hun lief
Iets van haar lief met haar lippen lezen.

En voordat de dichters, loze winterappels
Daar de plukkers als ondermaats versmaad  
Uiteindelijk ook vallen in november
Willen zij voor eeuwig voor de buren verstaanbaar  
Vallen. In melkboerentaal, als ooft natuurlijk beurs.

Zij blijven bitter luisteren naar het gefrommel
Van de krant die hun naam verkeerd blijft spellen  
En zij vullen hun kruiswoordraadsels in
Vol anekdotes, angst en struikelende liefdes.

Maar te laat, te doof worden de dichters gewaar  
Dat wat duister en bot was in hun verzen
Niet lichter wordt door sleet, door de duur,
Maar dat het blijft bederven. Ondoorgrondelijk  
Blijven hun huis, hun woord, de evenaar, het azuur.  
Hun stuurse donkerte blijft gemeen als geld
En als de dood zo vluchtig.

'Maar apropos, jij zelf? Ja, jij! Vereerde jij ook niet
De splitsing, de gisting eerder dan het monument?
Zocht jij ook niet in elk motet een epitaaf?  
Wrong jij niet een embleem uit elk letsel?  
Vond jij je geblutste ik niet in elk bord zwezerik?'

- 'Jawel. Nog overeind droom ik van het letterlijke.
Zeker. Tot het einde toe die muizenissen, rozen,
Paradijzen, radijzen, voze gelijkenissen. Met  
Tot op dit papier deze lijken van letters.'

Adieu schrijven de dichters een leven lang
En vergrijzend als lavendel in november  
Blijven zij, gangreen en grap en raadsel,  
Erbarmelijk bedelen om mededogen,
Zoals ik voor de sleet op mijn oren en ogen  
Die jou beminden, beminnen.

© De Bezige Bij & Hugo Claus
De: Wreed Geluk
Amsterdam: De Bezige Bij, 1999
Producción de Audio: Het Beschrijf, 2004

DICHTER

Herbst. Horch. Knattern. Hörst du das laute Prasseln?

Es naht in unsern Kleidern, in unsern Haaren.

Läuse aus Geräusch. Was ist dies aussätzige Murmeln?

Kind, das sind die zähneklappernden Dichter draußen.


Je näher die Dichter ihrem Sterben kommen

Desto grimmiger greinen sie zu den Sternen.

Im Morgennebel, in dem ihre Bilder schmelzen

Erfrieren die Dichter in einem erkennbaren Jackett.


Horch wie fiebrig sie ihr nahendes Schwinden erklären

Denn ihr letztes Röcheln soll durchsichtig sein,

Ihre Leserwitwen zum Schluchzen bringen.


,0, unser Ego war zu düster!’ klagen sie.

,Das verlangte die Zeit, polyinterpretabel wie wir!’

Und siehe, sie kriechen aus ihren Seelenwickeln,

Den Mund voll Kroketten und Gebeten um Gnade

Für ihre Prostata, ihr Plagiat.


Und in den letzten Zügen entdecken die Dichter jäh

Die beruhigenden Mirakel der Götter, Aphorismen,

Aspirin, Zärtlichkeiten. Zum erstenmal kann ihre Liebste

Etwas von den Lippen ihres Liebsten lesen.


Und bevor die Dichter, lose Winteräpfel,

Von den Pflückern als minderwertig verschmäht

Schließlich doch im November fallen

Wollen sie auf ewig für die Nachbarn verständlich

Fallen. Im Krämerjargon, wie Obst natürlich überreif.


Sie lauschen noch immer verbittert dem Geschmier

Der Zeitung, die ihren Namen stets falsch buchstabiert

Und füllen ihre Kreuzworträtsel aus

Voll Anekdoten, Angst und stolpernder Lieben.


Aber zu spät, zu taub, wird den Dichtern klar

Daß, was düster und platt in ihren Versen war,

Durch Abnutzung, Dauer, nicht heller wird,

Sondern weiter verdirbt. Unergründlich

Bleiben ihr Haus, ihr Wort, der Breitengrad, der Azur.

Ihre sture Dunkelheit bleibt ordinär wie Geld

Und flüchtig wie der Tod.

Übertragen von Maria Csollàny
Copyright beim Übersetzer & Klett-Cotta
Aus: Hugo Claus, Gedichte, Klett-Cotta, Stuttgart 2000.