Hugo Claus

الهولندية

Ronald Brouwer

الأسبانية

NU NOG

De vierregelige verzen zijn gebaseerd op een selectie uit het Sanskritische
gedicht 'De Dief van liefde' (caurisurata pancasika).


I
Nu nog, aan de galg vandaag, met een vod in de mond,
zij die wakker wordt met gezwollen lippen, ogen toe,
zij was iets dat ik wist en toen verloren heb, en hoe,
maar hoe ben ik haar kwijt, hoe blaft een dronken hond?


II
Nu nog haar gezicht als de maan en haar lijf als de maan
jong, bitter jong, met die borsten en billen en die ribben.
Vroeger had je liefdespijlen, je voelde ze voorwaar,
zij teisterden, dacht je, die blanke volle maan van haar.


III
Nu nog haar afgebeten nagels, haar gekwetste tepels,
haar gladde billen waartussen zij verticaal lachte
en zij die metafysica verachtte zei: ' Ach, schat,
in elke cel van je zaad zitten God en zijn moeder.'


IV
Nu nog de strepen schrammen vlekken tatoeëringen,
allemaal kwetsuren van liefde onder haar lichte jurk,
en ik vrees dat dit zal blijven duren, dit wrang achterbaks
krabben en klauwen naar haar ondermaatse niemandsland.


VI
Nu nog weet ik hoe moe en melig na het loom vrijen
zij 's ochtends bijna schroomvallig haar hoofd vooroverboog,
een eend die over het meer gleed en aan 't water nipte
en toen duikelde naar mij en hapte en toen nooit meer.


VII
Nu nog knoop ik haar gitzwarte haren in hanige
kammen en sprieten en stekels en verheerlijk haar als
totem en kruis in mijn huis dat onhandig en haastig
verandert in een tempel voor Minne, de steelse godin.


VIII
Nu nog al die kamers en nachten en roomkleurig naakt
en al die slaap erna en ervoor en de geur van hei.
Hoe ze snurkte toen ik vroeg of ze nu gelukkig was
en hoe ze de peluw aaide plompverloren naast mij.


IX
Nu nog haar ledematen, alle vier bezig, bekaf,
en haar pasgewassen haar over haar warme wangen,
toen greep zij mijn nek met haar enkels, giechelende beul,
onthoofd bood zij mij haar koele glinsterende wonde.


XI
Nu nog, nu ik op het punt sta over te schakelen
naar dat andere leven, leidt ze mij als door zwart water
en loert en loenst naar mij door haar gevaarlijke wimpers
en lacht als ik kletsnat opklim tegen haar gouden berm.


XII
Nu nog is haar hele lijfkarmijn en glimt van het zweet
en van babyolie glad zijn haar openingen.
Toch blijft wat ik van haar weet een zonderling gebaar,
iets zonder echo, vol bitterheid, toeval en spijt.


XIII
Nu nog vergeet ik weer de goden en hun ministers,
zij is het die mij versplintert, veroordeelt en vergeet,
zij van alle seizoenen maar vooral van de winter
want zij wordt mooier, kouder naarmate ik verder sterf.


XIV
Nu nog tussen alle vrouwen is er niet een als zij,
niet een waarvan de woeste mond mij zozeer heeft verrast.
Mijn zotte ziel zou over haar vertellen als zij kon
maar mijn ziel werd met al haar hebben en houden verwoest.


XV
Nu nog hoe zij beefde van vermoeidheid en fluisterde:
'Waarom doe je dit? Ik laat je nooit meer los, mijn koning.'
Er was geen killere vorst dan ik en overmoedig
liet ik haar zien hoe de Koning traande uit zijn éne oog.


XVI
Nu nog als ik durf te denken aan mijn verloren bruid
tril ik op mijn benen als ik denk aan wie haar nu plukt,
mijn wandelende oleander van een bruid die steeds
opnieuw het onkruid dat ik ben uit zijn lusttuin rukt.


XVII
Nu nog terwijl de bijen van de dood om mij zwermen
proef ik de honing van haar buik en hoor ik het gezoem
van haar klaarkomen en staar ik naar de natte roze
blaadjes van haar beweeglijke vleesetende bloem.


XVIII
Nu nog ons breed bed dat ruikt naar haar en haar oksels
ons bleek bed door de vogels van de wereld bescheten.
Op de vogelmarkt zei zij: 'Die wil ik, die wilde daar,
die almaardoor met zijn bek tikt tegen die tiet van haar.'


XIX
Nu nog. hoe zij zich verweerde en mijn mond weigerde,
en pas toen ik haar vloerde met mijn nagels in haar borst,
lam lag en toen, terwijl ik dronken van haar weelde sliep,
mij weer oppookte als een lang gedoofd gewaande haard.


XX
Nu nog haar beweeglijke borst die in mijn handen lag
en haar lippen dik door de beten van mijn tanden
en haar afgebeten nagels en gekwetste tepels
en hoe zij scheel keek in het wrede licht van de morgen.


XXI
Nu nog verbeeld ik mij dat zij in de smalle tijd
tussen mij en de poolnacht de sterren is geweest,
het gras, de kakkerlakken, de vruchten en de maden
en dat ik dit aanvaardde en dat dit mij nog steeds verblijdt.


XXII
Nu nog, hoe haar beschrijven, met wat haar vergelijken?
Tot in mijn graf zal ik haar ordenen en haar verven
en bederven en haar amechtig weer tot leven blazen
met mijn ergerlijk geklaag, mijn zenuwslopend zeuren.


XXIII
Nu nog haar ogen met de rimmel en de oogschaduw
en de scharlaken lelletjes van haar oren doorboord.
'Ik heb koorts,' zei zij, 'ik kan niet meer, ik vermoord
je, die vingers van jou, niemand anders ooit, nergens, nooit.'


XXIV
Nu nog blijft zij negentien, al drinkt zij; nog zo veel,
en hebben te veel tranen rimpels over haar wangen
getrokken, oorlogsbeschildering en camouflage,
de schimmel en de diepvries van haar leven zonder mij.


XXV
Nu nog als ik haar terug zou vinden als een sprookje
van de maan na de regen en ik lik weer haar tenen,
weer op de been met mijn hart van steen dan vrees ik wordt er
weer een griezelig week lied gewekt als van Cole Porter.


XXVI
Nu nog, zij; meer dan het water in haar wonderlijk lijf
een zoutmeer waarop een eend zou drijven en beklijven
en die eend met een pik was ik - hoor me kwaken! - en zij
meer zijnde wiegde mij op de baren of deed alsof.


XXVII
Nu nog als ik haar terug zou zien met die bijziende blik
van haar, zwaarder in de heupen en voller in de kont,
ik zou haar, geloof ik, weer omhelzen, weer van haar drinken,
een hommel was niet drukker bezig blijer leniger.


XXVIII
Nu nog terwijl ik in haar verstrengeld en geknoopt zit
is de Verwoester bezig en verschroeit Hij de mensen.
Mensen van enige standing zijn hun weg verloren
als na een gevecht zonder wapens en zonder winnaars.


XXIX
Nu nog in haar boeien geklonken en met de bloedneus
van minnaars zeg ik, van haar bloeiende lente vervuld:
'Dood, folter niet langer de aarde, wacht niet, lieve dood,
tot ik klaargekomen ben, maar doe zoals zij en sla toe!'

© De Bezige Bij & Hugo Claus
من: Gedichten 1948-1993
Amsterdam: De Bezige Bij, 1994
الإنتاج المسموع: Het Beschrijf, 2004

AÚN HOY

I

Aún hoy, en el cadalso, amordazado, la añoro
despertando, un labio hinchado, los ojos cerrados,
y así encarna algo sabido por mí que he perdido,
mas ¿cómo se me fue?, ¿cómo ladra un can beodo?


II

Aún hoy, su rostro y su cuerpo de luna, tan joven,
amargamente joven, senos nalgas costillas.
Antaño había flechas de amor –y las sentías–,
que atormentaban, creías, su albo plenilunio.


III

Aún hoy, con uñas mordidas, pezones heridos,
nalgas que esbozaban una sonrisa vertical,
la que aborrecía metafísica decía:
“Tu semen, cariño, contiene a Dios y su madre.”


IV

Aún hoy, esas marcas manchas rasguños tatuajes,
magulladuras de amor bajo su vestidito,
me temo que perdurará este agrio, vil arañar
y echar la zarpa en su modesta tierra de nadie.


V

Aún hoy yacía quieta extremadamente sola,
abandonada en cruz, paralizado el paladar,
mientras yo, igualmente inmóvil en mi celda, oía
de las cadenas el tintineo en su tobillo.


VI

Aún hoy la veo, atontada del lánguido goce,
con recato inclinar la cabeza en la mañana,
un pato deslizándose en el agua y sorbiendo,
así se agachó hacia mí, dio un bocado y nada más.


VII

Aún hoy anudo sus pelos azabache en peines
de gallo, en púas y espinas, y la ensalzo como
tótem y cruz en mi casa que torpe y deprisa
se torna en templo para el Amor, diosa furtiva.


VIII

Aún hoy esas alcobas, las noches, desnudeces,
el letargo después y antes y el olor a brezo.
Cómo roncaba cuando pregunté si era feliz
y tan sólo acariciaba a mi lado la almohada.


IX

Aún hoy, ocupados sus cuatro miembros, exhausta,
recién lavado el pelo en las ardientes mejillas,
me puso el tobillo en la nuca, riente verduga,
brindándome sin cabeza su flamante herida.


X

Aún hoy izo yo un estandarte y, brazos en alto,
exclamo: “Camarada”, mas quien se entregó es ella,
profiriendo furiosa en el campo de batalla,
con ese acento de su madre, sílabas guarras.


XI

Aún hoy, estando yo a punto de pasar a la otra
vida, ella me guía como a través de aguas negras,
me observa por entre sus peligrosas pestañas
riendo cuando, empapado, voy subiendo a su áureo arcén.


XII

Aún hoy brilla todo su cuerpo carmín del sudor,
lúbricos de aceite de bebé sus orificios.
Mas lo que de ella recuerdo es un gesto insólito,
sin eco, lleno de amargor, azar y lástima.


XIII

Aún hoy, a los dioses olvido y a sus ministros,
siendo ella quien me astilla, me condena y me olvida,
la de las cuatro estaciones mas del invierno más,
más hermosa y más fría conforme voy muriendo.


XIV

Aún hoy entre las mujeres no hay ni una como ella,
ni una cuya boca feroz me sorprenda tanto.
Si pudiera mi alma orate la reseñaría
pero fue asolada con cuanto en su haber tenía.


XV

Aún hoy, temblorosa del cansancio, su susurro:
“¿Por qué haces eso? No te soltaré nunca, mi rey.”
No había monarca más gélido y temerario
le enseñé cómo el Rey lloraba de su único ojo.


XVI

Aún hoy, cuando rememoro a mi novia perdida,
tiemblo de piernas si pienso en quien hoy la cosecha,
mi novia que es adelfa andante y que una y otra vez
me arranca, hierbajo, de su jardín de delicias.


XVII

Aún hoy, entre enjambres de abejas ya de la muerte,
saboreo la miel de su vientre y escucho el runrún
de su orgasmo, al tiempo que me fijo en los húmedos
pétalos rosados de su ágil flor carnívora.


XVIII

Aún hoy, huele a sus axilas todo nuestro lecho,
pálido de cagadas de las aves del mundo.
En el mercado de pájaros dijo: “Quiero ése,
cuyo pico repica salvaje en esa teta.”


XIX

Aún hoy, según resistía y rehuía a mi boca,
clavándole en el pecho mis uñas la derribé;
derrumbada y yo durmiendo, ebrio de su plenitud,
me atizó como a un hogar al parecer extinto.


XX

Aún hoy, su movido pecho en mis manos posado
y sus labios gruesos por todas mis dentelladas,
sus uñas mordidas y sus pezones heridos
y su bizca mirada en la cruda luz matinal.


XXI

Aún hoy imagínome que en el angosto tiempo
entre yo y la noche polar fue ella las estrellas,
la hierba, las cucarachas, los frutos, las larvas,
lo cual acepté y todavía me da alegría.


XXII

Aún hoy, ¿cómo describirla, con qué compararla?
Seguiré hasta enterrado ordenando y pintándola,
maleando, entre jadeos, reanimándola
con mi molesto lamento, mi enervante empeño.


XXIII

Aún hoy, en los párpados rímel y sombra de ojos
y perforados sus dos lóbulos escarlata.
“Tengo fiebre”, dijo, “no puedo más, voy a matar-
te, esos dedos que tienes, ahí, nadie más, jamás.”


XXIV

Aún hoy tiene diecinueve años, por más que beba
y por muchas arrugas que en las mejillas tracen
las lágrimas, dibujo de guerra y camuflaje,
al par que moho y congelación de su vida sin mí.


XXV

Aún hoy, si acaso la reencontrase como un cuento
de luna tras lluvia y volviese a lamerle los pies,
de nuevo en danza, pétreo el corazón, se oiría
otra de esas horrendas canciones de Cole Porter.


XXVI

Aún hoy, todo el agua en su cuerpo de maravilla
es un lago salino donde el pato flotara,
el pato con pico que soy –¡oíd mi graznido!–,
sobre sus olas me mecía o hacía como si.


XXVII

Aún hoy, si volviera a verla, su mirada miope,
más pesada de caderas y oronda de culo,
volvería a abrazarla, a libarla, un abejorro
no podría estar más febril, alegre y ágil que yo.


XXVIII

Aún hoy, entrelazados, yo en ella así anudado,
no descansa el Destructor calcinando a la gente.
Personas de posición han perdido el camino
como tras un combate sin armas ni vencedor.

Aún hoy, preso en sus grillos, con la nariz sangrante
del amador, digo, ebrio de su primavera en flor:
“¡No azotes ya al mundo, querida muerte, no esperes
mi culminación, sino que haz como ella y ataca!”

Traducción al español de Ronald Brouwer