Matthew Sweeney

الانجليزية

Peter Nijmeijer

الهولندية

The Ice Hotel

I’m going back to the ice hotel,
this time under a false name
as I need to stay there again.

I’ll stand in the entrance hall,
marvelling at this year’s design,
loving the way it can’t be the same

because ice melts and all here is ice –
the walls, the ceiling, the floor,
the seats in the lobby, the bed.

Not that I lay on naked ice,
but on the skins of reindeers,
piled high, as on a sled.

First, though, I went to the bar –
no beer, only vodka –
and I met my sculptor there,

or I should say, my ice sculptor
whose pieces were on display
in every room in the ice hotel,

and who told me his name was Thor.
We stood in that ice-blue light
swapping whisper after whisper,

drinking vodka after vodka
till we agreed to go to bed,
and neither of us slept that night.

Let me tell you about that bed –
ice pillars, two foot high,
each with a lit candle on top,

and wedged in the middle of each
the four corners of an ice sheet
three, maybe four inches thick.

On this the pelts were laid,
then the Polar Survival bag
that the two of us climbed inside.

Next morning, over Arctic char,
he offered me any sculpture
but which could I take home?

And I didn’t want to go home
but I went. Now I’m going back –
back to the latest ice hotel

with its blue ice, its silence,
its flickering candlelight,
its sculptures I can claim.

© Matthew Sweeney & Jonathan Cape
من: Sanctuary
London : Jonathan Cape, 2004
الإنتاج المسموع: 2006, M.Mechner / Literaturwerkstatt Berlin

Het ijshotel

Ik ga terug naar het ijshotel,
deze keer onder een valse naam,
omdat het verblijf daar me lokt.

Ik zal in de hal staan, verrast  
door de vormgeving van dit jaar,
omdat die nooit hetzelfde kan zijn

daar ijs smelt en alles hier ijs is -
de muren, het plafond, de vloer,
de zetels in de foyer, het bed.

Niet dat ik op naakt ijs lag,
maar op de huiden van rendieren,
hoog opgestapeld, als op een slee.

Maar eerst liep ik naar de bar -
geen bier, louter wodka -
en kwam daar mijn beeldhouwer tegen,

of liever mijn ijshouwer
wiens stukken waren uitgestald
in iedere ruimte van het ijshotel,

en die me zei dat hij Thor heette.
We stonden in dat ijsblauwe licht
gefluisterde woorden te wisselen

en wodka na wodka te drinken
tot we besloten naar bed te gaan,
en geen van ons sliep die nacht.

Laat me je dat bed beschrijven -
ijspilaren, een halve meter hoog,
elk met een brandende kaars erop,

en vastgeklemd in het midden
de vier hoeken van een ijsplaat,
acht à tien centimeter dik.

Hierop waren de vachten gelegd,
plus de speciale poolslaapzak
waarin we ons samen nestelden.

De volgende ochtend, bij een poolthee,
mocht ik een beeld van hem uitkiezen,
maar hoe kon ik dat mee naar huis nemen?

En ik wou helemaal niet naar huis,
al ging ik wel. En nu keer ik er terug -
terug naar het nieuwste ijshotel

met zijn blauwe ijs, zijn stilte,
zijn flakkerend kaarslicht,
zijn beelden die ik kan opeisen.

Vertaling: Peter Nijmeijer