Maurice Gilliams
[You can read this poem in the following translations]:
BRUNNEN DER SCHLAFLOSIGKEIT (الألمانية)
Izviri nespečnosti (السلوفينية)
SORGENTI DELL'INSOMNIA (الإيطالية)
SOURCES OF INSOMNIA (الإنجليزية)
BRONNEN DER SLAPELOOSHEID
I. Zij droeg de lamp achter de waterlissen. De dageraad van middernacht knaagt door het hoog vertrek waarin Maria slaapt, terwijl ik snak naar water en naar lissen. Ik lig bij haar. Zij rust bij mij. En geen van beiden zijn wij in de wereld samen, want niets is hier want élders samen waar geen verlangen de een van de ander scheidt. De muur wordt spiegel van het sterrenheir. De stilte zwelt van vissen. In de algen knerpen de zoutkristallen van oud zeer. Verblijf ik dan voortaan in 't zeemansgraf terwijl het spookschip onverpoosd blijft zeilen? - Maar als Maria zucht, vat ik haar hand. II. Wolvin en wolf in 't winters ledikant als het gehuil des harten krimpt tot fluistren: uit de angsten ranken namen op in 't duister met in hun wijn de bloedsmaak van het lam. Als in de tijd van de ouders zijn de nachten, op 't huis gestapeld drukt het tempelpuin; en waar een lichtstraal door een schaduw suist bederft de waan tot schimmel op de wanden. ‘t Gedroomde kinderhandje slaapt in ons; zijn polsje klopt gelijk in nood de borst der vogels die men treurig vrij moet laten. Samen, onder de vlag van 't beddenlaken, als na een veldslag zijn wij opgebaard. Maria's hand rust op mijn grauwend haar.



