Maurice Gilliams
Vous pouvez lire ce poéme dans les traductions suivantes:
ASSOLO CAMPESTRE (Italien)
СЕЛСКО СОЛО (Bulgare)
LÄNDLICHES SOLO (Allemand)
Podeželski solo (Slovène)
RUSTIC SOLO (Anglais)
LANDELIJK SOLO
Ik droomde: toen ik over de heide kwam in ‘t late avondrood: mijn koude hand had een warm vogelei geroofd. ¾ o liefste. Gij woont alleen. Het huis staat afgelegen in de wind die over de vlakte waait; als ik bij u kom kan het niemand weten. Twee stenen leeuwen waken bij de trap, plechtig en zwaar, als voor een Egyptisch graf. Een staalhard kruid heeft de dorpel verschoven en ‘t eeuwenoud arduin ligt doorgebroken. Soms zucht gij droef, als we de trap afgaan : ‘eilaas, gij zijt nooit diep door mij geraakt; ge doet geen moeite.’ Zachtjes gaat ge wenen. Uw hand begint het bedauwde beeld te strelen en 'k laat mij vallen op het wilde gras. - Liefste, roep ik ongewoon: op het dak zijn de schaliën los, dichtbij het venster : daaronder ligt ge aan mij met pijn te denken als het regent en er zingt dan een lek op de koperen bollen van het bed. ‘t Is donker. In huis zijn we twee bijen in een biekorf: zoetheid aan alle zijden en ons gezoem maakt de ogen groot en traag komen de woorden. voor uw voeten waakt de hond. Het dier heeft afhangende oren ; het ligt gerust en likt zijn brede poten. In uw liefdemacht, stoeiend overstelpt, daal ik af als in een bad lauwe melk, en 'k voel uw hart zwaar kloppen. Wij verzwijgen elkaar ons geheim, en dit schenkt zoet lijden, omdat wij, heel eenzaam zo dicht bijeen, elkander martelen met naïef leed. Gij hebt mijn pijp uit mijn mond genomen en gelegd naast het opgezet eekhorentje. Dan verbergt ge uw gelaat in mijn hals en ademt zwaar, tot ge krachteloos valt in mijn armen. Mijn lippen komen proeven uw blijde pijn wanneer ze u diep ontroeren. Gij zijt een boomken dat diep wordt gesnoeid en duizelt, lief. Dan zinken wij vermoeid. Straks strelen we in de stal blauwe konijnen. Op het hooi flitst een pasgeslepen beitel en een bijl staat straf in een balk geplant. Er ritselt een hagedis op het dak. Gij dooft de lamp. Wij komen langzaam buiten onder de bomen en wij staan te luisteren naar de verte waar maneklaarte vaart. En gij wordt schoon en goed voor mij, eilaas, in deze nacht. Wij staan op klamme zoden en stamelen. Er drijft de geur van koren alom en pasgebroken dennenhout. Maar uw vingers zijn als mos, smal en koud, en ik befluit ze zoetjes, tot ze zijn betoverd aan mijn lippen, eeuwiglijk, met de weemoed van mijn mond overdonkerd - lief, hoelang staan wij voor elkaar verwonderd ? Ik verlaat u over een uitgedroogde gracht waar een oude schoen vergaat en wat roest tragisch overblijft van duurzaam ijzer. Zo treffen wij voor ‘t hart telkens bewijzen : het schone, ook het sterke moet hier vergaan, en, vallend, worden wij ‘t einde gewaar. Daarom laat God ons somtijds teder spelen met alle de madelieven van ons leven.



