[nu we allebei dood zijn]
nu we allebei dood zijn
is het rustig praten bij dit minzame weertje
zo vlak naast de bossen
dicht bij het koelwater.
ik maak een grapje, je trekt nog
een tand uit ons losse geheugen
met het gemak waarmee we nu van een glas nippen.
geen denken aan dat dit ooit nog een kant uitschiet.
gekwetter van mussen valt dof in je schoot.
zoveel vrede is er dat de wind er nog even mee speelde
voor hij zich moe aan onze voeten in slaap kwam leggen.
en ja, stoffelijkheid verteert slecht,
afval gaat eeuwen mee als het moet, maar wat geeft het,
wie draait daar nog zijn maag voor om in deze lange, lange, hete, hete nacht
van minieme deeltjes.
geef me nog een hapje van dat overheerlijke ijs.
als je stil bent hoor je de lepel zoemen.