Dirk van Bastelaere
Dieses Gedicht liegt in folgenden Übersetzungen vor:
Pornschlegel (Englisch)
Pornschlegel (Deutsch)
Pornschlegel (Französisch)
Pornschlegel (Slowenisch)
Pornschlegel
Het is juli en wie moordt nog om een vrouw. Het is heter dan men voor werkelijk houdt. Op het land: een erf met oude platanen, Dertig in getal. Het is de leeftijd van De bewoner, een droom van een man, zij het Dat één been, zijn linker, wat trekt. Het heeft er Van weg, hij loopt op één schoen soms. Wanneer hij Nadenkt daarover ligt hij koud op de vloer, Slaat het watervlak stuk van de regenput Of draait het fotoportret van zijn ouders Om op het dressoir en staart stom voor zich uit. Maar als hij nu opkijkt, zoals hij daar ligt, In lommer op een veldbed wat rustend – de ochtend waarin warmte al beeft – op het Voorhoofd nog een pleister of wat, als hij nu Nog dit zelfde moment richting hoofdgebouw Kijkt, ziet hij de kersentuin daar, hoe een wolk Van gerucht, een zwerm spreeuwen de bomen in Zakt, als gruis. Is het een plaag of een bericht? Is het een nieuwe configuratie Van betekenis? Het heeft de schijn van een Andere werkelijkheid die zich vertakt Tot binnen het dagelijks leven van iemand. De spreeuwen beginnen kersen te eten, Zo meteen zijn de bomen helemaal leeg. Maar de man Pornschlegel heeft niets bemerkt, Hij hoort gebrom van een grasmaaimachine, de Tuinsproeier enkel die slist. Lam in de hitte Spelt hij soms zijn naam. Straks vat hij zijn tocht aan. Wie moordt nog om een vrouw. Het is zo heet. Hij dwaalt de zaal in en alweer een eeuw. Hij weet in het vertrouwde zich nog zoek Te maken. 15de, 16de, hij gaapt (Het is de dag voor de grote hitte, die Als een compres op de wereld moet liggen), 17de eeuw. Hij kijkt het hoge raam uit, Ziet de synagoge blinken. De kleur die Door dingen wordt uitgezweet, lijkt hem mentaal: Rood van balkonbloemen, blauw van een lakschoen. Het museum, dat op de namiddag drijft, Is een Ionisch eiland, mooi als een wrak Van het Paradijs. Binnen in halflicht Hangen de schilderijen en panelen Concreet als de beelden van en gedicht. Pornschlegel gevoelt zich, bij dit alles, Onwezenlijker soms dan het geschilderde. Ziet Hoe zijn voet sleept door de glans heen Van het parket. Hij strekt zijn diafane handen Voor zich uit: het zijn – nu nog – de zijne. Elk moment kunnen er andere handen In verschijnen. Wat is er met zijn lijfelijkheid? Dat hij hier schaduwen van verf bewaakt (Cranach, Memlinc, Patinir) is hem zijn brood. Hij is gewoonweg een suppoost. Maar één portret, Dat hij vereert, komt in zijn dromen bovendrijven. Het is Agnes Sorel. Op wie ze lijkt, hij weet Het wel. Door Jean Fouquet als virgo lactans Afgebeeld is zij een kegel van ivoor, haarloos Gezicht en smalle lendenen. Is zij natuur die Tot idee geraakt en 'dame de toute beauté parée'. Zij doet hem deel uitmaken van geschiedenis. En in het avondlijker licht al, dat door De koepel valt en valt, roept zij hem to zich. Het glas gaat kraken en de eeuw is leeg. Hij schuifelt over het parket als over water. Haar stem, zeer hoog, een fluittoon haast en vast Door serafijn en cherubijn bewaakt, komt Als een vinger uit de verf. Ze wenkt. Hij knikt. Ze lispelt en hij ziet haar breinaalddunne Tong: 'Bekijk me of ik sterf' en hij verstaat: 'Bevrijd me nu en erf'. Dat hij het glas Moet breken om het glas te zien. Hij stoot Zijn parelwitte voorhoofd de vitrine in. Hij wordt gevonden: languit, in het ongerede. En buiten wordt het zeer heet, leeg en droog. Slaap toont hem een man op Linkeroever. Het lijkt wel een droom in een droom in een droom. Het is een vlakte met de zon erboven. Het is daar en soms ook weer niet. De man Loopt over weiden, over kiezel. Langs Een muur waarbovenop glasscherven staan. Gehijg. Hij is op zoek of iets van plan. Dan houdt de weg op en de grond wordt drassig. Hij komt in cirkels bij zich zelf terecht, Zijn bedoeling die wordt omgelegd. Langs Wortels loopt hij, tussen boomstronken – Of iemand kappen moest uit lijfsbehoud. Hier een fantoom is iemand daar een wandelaar Met kalfslederen schoenen aan, al heeft het De schijn ervan nu dat hij vlucht. Bij een Boomgaard staat een vogelverschrikker, strowit Haar helpt merels een andere wereld in. Er komen wagens over het terrein gereden. De man is in een zucht verdwenen, door lover Enigszins beschut. Men zet met paaltjes En roodwitte linten de omgeving af. Iemand Begint iets op te meten. Er lopen zwarte Uniformen rond. Men schrijft en er wordt Ook gegraven. Een hand die, als een leemte In een leven, wit opgestoken wordt Legt over elk gezicht verstomming. Men heeft een olievat gevonden, dichtgelast Men brandt het open. Er wordt een lijkzak Aangedragen. – Klam in de tuin wordt Pornschlegel wakker. Een hazenslaapje zet de Droom wijd open. Hij bet zijn voorhoofd. Maar De bomen begroeten hem, het vonkt in zijn glazen. Hij lacht naar gladiolen en phlox in de border. Hij knapt zich op in de dwang van de spiegel. Hij trapt zijn Vespa aan. Hij moet een bijl gaan kopen. Hij was eenvoudig als een timmerman. Daar is nu niets meer van. Hij werd, denk ik, Te zijner tijd, bezocht in dromen en hij Gaat aan die hocus-pocus van het lichaam Ook geloven. Zijn woning is tochtig, Een Aeolische harp. De bomen die hij kappen moet, Zo wordt hij op zijn hart getrapt. Hij houdt Van Italiaanse disco. Hij zegt, hij is Een eiland, ladida. Men zegt, hij spreekt in metaforen. Vertelt een man die zijn broer zijn kan: ‘Hij is Niet meer te hebben, sinds onze ouders stierven. Hij werd eenzelvig. Een solipsist.’ Hij zegt, Hij heeft een steeds zich wijzigende beeltenis. Hij zingt als hij verdrietig is. Ladida. Ladidadida.



